Refojongere schreef: ↑Gisteren, 08:22
Arja schreef: ↑Gisteren, 01:07
De afbakening zit grammaticaal in Romeinen 4:11.
En hij heeft het teken der besnijdenis ontvangen tot een
zegel der rechtvaardigheid des geloofs die hem in de voorhuid was toegerekend: opdat hij zou zijn een vader van allen, die geloven in de voorhuid zijnde (heidenen die tot geloof gekomen zijn) ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde...
Die laatste bepaling (“die in de voorhuid was”) beperkt de gerechtigheid tot Abrahams concrete situatie. Paulus zegt niet: besnijdenis is zegel van gerechtigheid maar: voor Abraham was zij zegel van reeds ontvangen gerechtigheid, ook al was hij niet besneden toen hij geloofde.
Paulus’ theologie is niet: “teken en belofte vallen altijd samen bij elke ontvanger” Maar: de belofte loopt via het Zaad, en wie door geloof met het Zaad verbonden is, deelt in de gerechtigheid. Daarom eindigt hij in Galaten 3:29: “Indien gij van Christus zijt, dan zijt gij Abrahams zaad.” Dat is de ultieme afbakening. Niet: wie het teken heeft. Maar: wie in Christus is.
Bedankt voor je toelichting op dit late uur. Maar ook Gal. 3:29 sluit niet uit dat Abrahams natuurlijk zaad de belofte heeft. Dat lees ik in Rom. 11:27 en 28.
Romeinen 9 laat weer zien dat niet iedere Israëliet in de belofte deelt (Rom. 9:6).
Paulus beargumenteert in Rom. 4 dus dat de besnijdenis is gegeven na het geloof waardoor Abraham gerechtvaardigd is. Maar welke belofte bezegelt de besnijdenis dan voor Abrahams zaad volgens jou?
1. Als Paulus in Galaten 3 zo zorgvuldig redeneert, eerst het σπέρμα vernauwt tot Christus (3:16), en daarna zegt dat wie van Christus zijn, erfgenamen naar de belofte zijn (3:29), zou het dan kunnen dat hij hier juist bezig is een bestaande verbondsopvatting te corrigeren in plaats van te bevestigen?
Ik merk dat ik in dit hoofdstuk nergens zie dat hij een bredere categorie binnen het verbond handhaaft naast het toebehoren aan Christus. Zijn argument lijkt eerder: niet afkomst, niet wet, maar verbondenheid met Christus bepaalt wie werkelijk Abrahams zaad is. Zou je kunnen aanwijzen
waar hij in dit hoofdstuk zelf ruimte laat voor een tweede, niet-gelovige verbondscategorie?
2. Over Romeinen. Wanneer Paulus in Romeinen 9:6 zegt: “Niet allen die uit Israël zijn, zijn Israël,” doet hij dat om te verdedigen dat Gods woord niet is vervallen. Zijn voorbeelden (Isaak boven Ismaël, Jakob boven Esau) laten zien dat de belofte vanaf het begin niet samenviel met natuurlijke afstamming. Als Paulus daarmee juist aantoont dat Gods belofte nooit aan het vlees als zodanig gebonden is geweest, hoe kan Romeinen 9 dan dienen als onderbouwing voor een bredere verbondscategorie die wél aan natuurlijke afkomst verbonden blijft?
3. Kun je mij één tekst aanwijzen uit het OT waarin staat dat de besnijdenis een specifieke heilsbelofte verzegelt? In Genesis 17 wordt zij
een teken van het verbond genoemd, niet een zegel van persoonlijke rechtvaardiging. De tekst zegt nergens dat iedere besnedene daarmee een belofte tot zaligheid verzegeld krijgt. Als jij stelt dat de besnijdenis een belofte verzegelt voor Abrahams natuurlijke nageslacht, dan hoor ik graag: op welke oudtestamentische tekst baseer je dat? En waar wordt daar expliciet het begrip “zegel” gebruikt?