Zwingli's leer van het avondmaal wordt dikwerf misverstaan en onjuist voorgesteld. Men doet hem onrecht, als men meent, dat hij in het avondmaal niets zag dan een gedachtenismaal, en hem alzoo met de Rationalisten op éene lijn stelt. Neen, Zwingli leerde wel terdege, dat Christus de eenige spijze onzer zielen is en als zoodanig ook in het avondmaal genoten wordt. Maar hij bewoog zich in gansch andere tegenstellingen dan Luther. Hij stelde op den voorgrond: het avondmaal is geen herhaling, gelijk Rome beweert, maar eene gedachtenis van Christus' offerande. Niet het lichamelijke eten van den opnieuw geofferd, maar het door het geloof genieten van den eenmaal aan het kruis geofferden Christus is van nut. Het vleesch is niets nut, ook niet het vleesch van Christus als zoodanig; de Geest alleen door het geloof maakt levend. Het vleesch van Christus is, niet als met den lichamelijken mond vermalen, maar als voor ons gekruist en als zoodanig genoten, voor ons van waarde. En dat geschiedt niet alleen maar toch óók in het avondmaal. Als we aanzitten aan de tafel des Heeren, herinneren we ons den dood van Christus, stellen daarin al ons vertrouwen; en daarin bestaat het eten van Christus' lichaam en het drinken van zijn bloed. Zwingli ontkent daarom volstrekt niet, dat Christus geestelijk in het avondmaal tegenwoordig is, en dat Hij geestelijk door het geloof genoten wordt.
Herman Bavinck 1887
Gelezen (geloofsopbouwend)
- Johann Gottfried Walther
- Berichten: 5481
- Lid geworden op: 05 feb 2008, 15:49
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
"Zie, de Heere is gekomen met Zijn vele duizenden heiligen, om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle goddelozen onder hen, vanwege al hun goddeloze werken, die zij goddelooslijk gedaan hebben, en vanwege alle harde woorden, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben"
- J.C. Philpot
- Berichten: 10771
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
“Geliefden Gods, geroepen heiligen.”
(Romeinen 1:7)
Het woord “heilige” is door des mensen verdorvenheid en boosheid geworden tot een woord van smaad en verachting. Doch God zal het eren, al onteren de mensen het naar hun welgevallen. God heeft er een kroon der heerlijkheid op gezet; laat de mensen het verachten zoveel zij willen. Geen voorrecht noch zegen kan God schenken, zo groot en zo heerlijk, als u te kronen met de naam van heilige. Hij had u titels zonder getal kunnen geven; Hij had rijkdommen in de grootste overvloed over u kunnen uitstorten — rang, roem, gaven, schoonheid, gezondheid — alles had aan uw voeten kunnen worden neergelegd; maar wat zou dit alles zijn, vergeleken bij u te maken tot een heilige Gods?
Maar wat is het, een heilige te zijn? Het is door God den Vader geheiligd te worden, voor Zichzelf afgezonderd, om Zijn lof te verkondigen. Het is gewassen te zijn in het verzoenend bloed en bekleed met de rechtvaardigende gerechtigheid van den Zoon, en wedergeboren door den Geest Gods. Het is ingeleid te worden in een nieuwe wereld, doordat men verlost wordt uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefden Zoon.
Welk hart kan bevatten, of welke tong uitspreken, den staat der zaligheid waartoe de verachte heiligen Gods reeds in dit tegenwoordige leven zijn verheven! Zij zijn zonen en dochters van den HEERE, den Almachtige; juwelen in Jezus’ middelaarlijke kroon; leden van Zijn mystiek lichaam, en als zodanig door onlosmakelijke banden met Hem verenigd; pilaren in den tempel Gods, die daaruit niet meer zullen uitgaan; schapen, verlost door dierbaar bloed; reine zielen, verloofd aan den HEERE, het Lam. Zij zijn erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus, en woningen der heerlijkheid zijn hun bereid boven de hemelen. Daar zullen zij als overwinnaars met Christus zitten op Zijn troon, en daar zullen zij op gouden harpen de lof zingen van den Drie-enigen God, tot in alle eeuwigheid.
Ds. J.C. Philpot
(Romeinen 1:7)
Het woord “heilige” is door des mensen verdorvenheid en boosheid geworden tot een woord van smaad en verachting. Doch God zal het eren, al onteren de mensen het naar hun welgevallen. God heeft er een kroon der heerlijkheid op gezet; laat de mensen het verachten zoveel zij willen. Geen voorrecht noch zegen kan God schenken, zo groot en zo heerlijk, als u te kronen met de naam van heilige. Hij had u titels zonder getal kunnen geven; Hij had rijkdommen in de grootste overvloed over u kunnen uitstorten — rang, roem, gaven, schoonheid, gezondheid — alles had aan uw voeten kunnen worden neergelegd; maar wat zou dit alles zijn, vergeleken bij u te maken tot een heilige Gods?
Maar wat is het, een heilige te zijn? Het is door God den Vader geheiligd te worden, voor Zichzelf afgezonderd, om Zijn lof te verkondigen. Het is gewassen te zijn in het verzoenend bloed en bekleed met de rechtvaardigende gerechtigheid van den Zoon, en wedergeboren door den Geest Gods. Het is ingeleid te worden in een nieuwe wereld, doordat men verlost wordt uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van Gods geliefden Zoon.
Welk hart kan bevatten, of welke tong uitspreken, den staat der zaligheid waartoe de verachte heiligen Gods reeds in dit tegenwoordige leven zijn verheven! Zij zijn zonen en dochters van den HEERE, den Almachtige; juwelen in Jezus’ middelaarlijke kroon; leden van Zijn mystiek lichaam, en als zodanig door onlosmakelijke banden met Hem verenigd; pilaren in den tempel Gods, die daaruit niet meer zullen uitgaan; schapen, verlost door dierbaar bloed; reine zielen, verloofd aan den HEERE, het Lam. Zij zijn erfgenamen Gods en mede-erfgenamen van Christus, en woningen der heerlijkheid zijn hun bereid boven de hemelen. Daar zullen zij als overwinnaars met Christus zitten op Zijn troon, en daar zullen zij op gouden harpen de lof zingen van den Drie-enigen God, tot in alle eeuwigheid.
Ds. J.C. Philpot
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. Joh.6:37
Is er ook maar één voorbeeld van, dat onze Heere iemand uitwierp, die tot Hem kwam? Als dat zo is, zouden, wij het graag weten, maar er is er niet één geweest en er zal er nooit één zijn. Onder de verloren zielen in de hel is er niet één, die kan zeggen: „Ik ging tot Jezus en Hij wees mij af’. Het is niet mogelijk, dat u of ik de eerste zou zijn jegens wie Jezus zijn woord zal breken. Laten wij zulk een duistere verdachtmaking niet koesteren. Neem aan, dat wij nu tot Jezus gaan met de ellenden van vandaag. Hiervan kunnen wij zeker zijn – Hij zal ons geen gehoor ontzeggen of ons uitwerpen. Degenen van ons, die al vaak zijn geweest en degenen, die tevoren nooit zijn gegaan laten wij te zamen gaan en dan zullen wij zien, dat Hij de deur van zijn genade niet voor het gezicht van één van ons zal dichtdoen. „Deze ontvangt de zondaars”, maar Hij stoot er niet één af. Wij komen tot Hem in zwakheid en zonde, met bevend geloof, en geringe kennis, en zwakke hoop, maar Hij werpt ons niet uit. Wij komen met gebed en dat gebed is gebrekkig; met schuldbelijdenis en die belijdenis schiet te kort; met lofprijzing en die lofprijzing doet veel tekort aan zijn verdiensten; maar toch ontvangt Hij ons. Wij komen ziek, besmet, uitgeput en nietswaardig, maar Hij werpt ons geenszins uit. Laten wij vandaag opnieuw gaan tot Hem, die ons nooit uitwerpt.
CH Spurgeon
Is er ook maar één voorbeeld van, dat onze Heere iemand uitwierp, die tot Hem kwam? Als dat zo is, zouden, wij het graag weten, maar er is er niet één geweest en er zal er nooit één zijn. Onder de verloren zielen in de hel is er niet één, die kan zeggen: „Ik ging tot Jezus en Hij wees mij af’. Het is niet mogelijk, dat u of ik de eerste zou zijn jegens wie Jezus zijn woord zal breken. Laten wij zulk een duistere verdachtmaking niet koesteren. Neem aan, dat wij nu tot Jezus gaan met de ellenden van vandaag. Hiervan kunnen wij zeker zijn – Hij zal ons geen gehoor ontzeggen of ons uitwerpen. Degenen van ons, die al vaak zijn geweest en degenen, die tevoren nooit zijn gegaan laten wij te zamen gaan en dan zullen wij zien, dat Hij de deur van zijn genade niet voor het gezicht van één van ons zal dichtdoen. „Deze ontvangt de zondaars”, maar Hij stoot er niet één af. Wij komen tot Hem in zwakheid en zonde, met bevend geloof, en geringe kennis, en zwakke hoop, maar Hij werpt ons niet uit. Wij komen met gebed en dat gebed is gebrekkig; met schuldbelijdenis en die belijdenis schiet te kort; met lofprijzing en die lofprijzing doet veel tekort aan zijn verdiensten; maar toch ontvangt Hij ons. Wij komen ziek, besmet, uitgeput en nietswaardig, maar Hij werpt ons geenszins uit. Laten wij vandaag opnieuw gaan tot Hem, die ons nooit uitwerpt.
CH Spurgeon