Geka schreef:Nog wel een opmerking over het door mij onderstreepte citaat van jou: de uitleg die Luther geeft aan de leeruitspraak dat het genadeverbond onder beheersing van de verkiezing staat, is (als ik hem goed begrepen heb) dat met verkiezing dan de 1e graad van de (verbonds)verkiezing gelezen moet worden, en niet de persoonlijke verkiezing tot zaligheid. Toch is dat naar mijn overtuiging absoluut in strijd met de bedoeling van de opstellers van 1931, en ik kan me niet voorstellen dat het zo gesteld wordt in het boekje Louter genade. Men bedoelde en bedoelt daarmee juist expliciet de persoonlijke verkiezing tot zaligheid!
Nog even hierop terugkomend, nu ik wel het boekje ter beschikking heb.
De leeruitspraken, evenals het boekje "Louter genade", gaan in eerste instantie over de verkiezing en het verbond. Dus niet over de persoonlijke verkiezing tot zaligheid. Uiteraard ontbreekt de persoonlijke spits niet.
Het boekje citeert uit de Voornaamste Besluiten, uitgave 2001, p33 en vervolgt dan: Terzijde kan opgemerkt worden, dat er zo bijvoorbeeld bij Calvijn een algemeen spreken over verbond en beloften voorkomt. Maar als hij deze zaken nader gaat aanduiden, vinden we de grondgedachte, dat het wezen van verbond en belofte de uitverkorenen betreft.
En dan volgt de verwijzing naar het door Bert in het Engels gequote deel.
Geka schreef:Daarbij denk ik dat ons spreken over het genadeverbond niet alleen op Romeinen 2 en 4 (Je noemt Romeinen 8, maar daar gaat het m.i. niet over het verbond) gebaseerd moet zijn, maar evenzeer op Hand. 2:39, 3:25 etc. We moeten ernaar staan om in ons spreken zoveel mogelijk evenwichtig de hele Schrift na te spreken. En daarom heb ik in bepaalde opzichten bezwaar tegen de verwoording van 1931, zoals ik eerder aangaf.
Die twee aspecten komen in de leeruitspraken ook naar voren. Daar wordt helder aangegeven, dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen de beloften van het evangelie en die van het verbond. Men baseert zich hiervoor in eerste instantie op de DL:
De beloften van het Evangelie enerzijds voor alle hoorders:
DL II,5
Voorts is de belofte des Evangelies, dat een iegelijk, die in den gekruisigden Christus gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe; welke belofte aan alle volken en mensen, tot welke God naar Zijn welbehagen Zijn Evangelie zendt, zonder onderscheid moet verkondigd en voorgesteld worden, met bevel van bekering en geloof.
En de beloften van het verbond alleen voor de uitverkorenen:
DL II/IV,8
Hij belooft ook met ernst allen, die tot Hem komen, en geloven, de rust der zielen en het eeuwige leven.
Verder halen ze dit uit de Westminster Confessie (hoofdstuk 7, art. 2 en 3) en uit het commentaar van Calvijn op Gen 17,8+8, wat Bert dus een stukje lager geplaatst heeft.
Als bewijstekst noemen deze Genesis 17,20+21:
En aangaande Ismaël (...) Ik zal hem tot een groot volk stellen; Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten.