Uit jullie reacties Memento, Jongere en Zonderling blijkt dat jullie zowel de tekst (Ez.33 vs) noch mijn antwoord begrijpen.
Ik zal de tekst nog eens uitleggen.
11.
Zeg tot hen: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels?
De tekst is ethisch. De vraag is: Hoe moeten we dan leven als het zo is dat we ten onder gaan in onze zonden?
God wil vergeven wanneer de Goddeloze zich bekeert.
Het gaat hier niet over de uitverkiezing, we zouden de tekst geweld aandoen als we voor goddeloze, Goddeloze
(als verworpene)* of goddeloze-bekeerde in zouden vullen
Het Goddelijk gebod komt niet alleen tot de uitverkorenen maar ook tot de verworpenen, naar beide als rationele en morele wezens.
In de tekst is geen universeel, welgemeend aanbod te vinden.
Wanneer je de tekst goed bekijkt dan merk je 1) God verteld iets over Zichzelf, Hij heeft geen lust in de dood van de zondaar, maar veel meer dat ze zich bekeren en leven.
2) God zegt dit met een eed, “zo waar als Ik leef”.
3) op basis van deze eed openbaart God waar Hij een welbehagen in heeft als Hij komt tot het huis Israel (en de kerk) met het gebod en de roep om zich te bekeren.
Als God er dan waarlijk een welbehagen in heeft dat de Goddeloze zich bekeert. Waarom zou hij dan sterven? Alleen omdat ze God haten en de goddeloosheid liefhebben.
Hier staat niet dat God al de goddelozen liefheeft en hen allen wil redden.
Voor de duidelijkheid zal ik onderscheid maken tussen de goddeloze die zich bekeert en de goddeloze die zich niet bekeert.
In de tekst zelf is genoeg grond voor dit onderscheid.
Jullie kunnen de tekst ook niet lezen als “ Ik heb geen lust in de dood van de goddeloze of hij zich nu bekeert of niet, maar zo lezen jullie de tekst wel hoewel dit dwars op de waarheid van de bijbel staat
Maar God wil gerechtigheid en daardoor gaat de goddeloze naar het eeuwig verderf .
Ten tweede als je zegt dat de goddelozen uit het eerste deel van de tekst alle goddelozen zijn zonder onderscheidt, dan doe je geen recht aan de tekst.
In het eerste gedeelte van de tekst zegt de Heere dat Hij geen lust heeft in het tweede gedeelte van de tekst.
In het tweede gedeelte van de tekst zegt de Heere dat Hij lust heeft in bekering en leven, Hij heeft dus alleen lust in de Goddeloze die zich bekeert.
Bekering en leven zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.
En hieruit volgt dat de Goddeloze die zich niet bekeert buiten het eerste deel van de tekst staat!Dus we mogen de tekst zo lezen; Ik heb geen lust in dat de goddeloze zich niet bekeert en sterft, maar dat hij zich bekeert en leeft.
Wie zich niet bekeert zal zeker de eeuwige dood sterven, en God heeft lust in zijn dood als straf op de zonde en als manifestatie van Zijn gerechtigheid.
• Zo leggen jullie het uit
Dat jullie dit van kinds af zo geleerd hebben wil nog niet zeggen dat dit gereformeerd is.
W. a Brakel moest ook niks hebben van het welgemeend aanbod.
À Brakel proceeds to demonstrate how God is really sincere in his calling, even though he does not intend the salvation of the reprobate. God calls all to salvation, and he intends to give salvation to all who believe. But faith and repentance are divine gifts that he only bestows to those whom he wills to save. God leaves the rest to themselves; these are unwilling, and, by their own fault, unable to fulfill the condition of faith. Because God has foreknowledge of this, and since he has decreed not to give them faith, "he therefore also cannot have their salvation in view."42 God does not act deceitfully, however, since he sincerely obligates them and sincerely reveals the conditions of salvation to them. His main end is their condemnation. Nor could à Brakel be any clearer when he says, "He did not purpose to save them."43 It should be quite clear that à Brakel does not believe that the external call of God constitutes an offer of salvation to the reprobate.
Ook Calvijn niet:
Calvin's lectures on Ezekiel extend only through chapter 20; but in his Institutes he does comment significantly on Ezekiel 33:11, in the context of election and reprobation. Opponents of these doctrines object that if God really takes no pleasure in the death of the wicked, then he would make it possible for all to repent. Calvin responds that "this passage is violently twisted if the will of God, mentioned by the prophet, is opposed to his eternal plan, by which he has distinguished the elect from the reprobate."71 Here again we see the contrast between the will of the precept and the will of the decree. The prophet's truemeaning, Calvin continues, "is that he would bring the hope of pardon to the penitent only. The gist of it is that God is without doubt ready to forgive, as soon as the sinner is converted. Therefore, insofar as God wills the sinner's repentance, he does not will his death."72 The proposition that God wills the salvation of all must be qualified. According to his preceptive will, God reveals what is required of persons if they are to receive forgiveness. But God in his eternal counsel wills only to bestow the grace required for repentance on the elect.