@Kaw: Deze kwestie (wel of geen aanbod en hoe dan wel) is al heel oud. In onderstaand citaat wordt er al tegen de vermeende tegenstrijdigheid tussen aanbod aan alle hoorders en dubbele predestinatie geageerd. Deze oudvader bestrijdt dat een welmenend aanbod van genade en de verkiezing tegenstrijdig zouden zijn. Hij draait het zelfs om en stelt dat het aanbod noodzakelijk is zodat "de consciëntiën der vromen veiliger zouden rusten" en "opdat de goddelozen niet zouden voorwenden, dat ze geen wijkplaats hebben". Oordeel zelf het citaat, wat overigens niet compleet is. Het komt uit een dogmatisch werk dat de verkiezing verdedigt en bestrijdt dat deze leer het welmenende aanbod van genade aan alle hoorders zou aantasten. Tevens wordt de pelagiaanse opvatting bestreden als ware dat het enige alternatief om een aanbod te leren.
Een bekende oudvader schreef:Evenwel, zult ge zeggen, indien dat zo is, zal men maar weinig kunnen vertrouwen op de beloften des evangelies, die, wanneer ze van Gods wil getuigen, bevestigen, dat Hij datgene wil wat strijdt tegen zijn onschendbaar besluit. Dat is geenszins zo; want hoewel de beloften der zaligheid algemeen zin, strijden ze toch in niets tegen de predestinatie der verworpenen, mits wij slechts onze geest richten op hun uitwerking. Wij weten dat de beloften eerst dan voor ons werkdadig zijn, wanneer wij ze door het geloof aannemen; maar wanneer daarentegen het geloof verijdeld is, is tevens ook de belofte te niet gedaan. Wanneer dat de natuur der beloften is, laat ons dan zien, of deze twee met elkander strijden, dat er gezegd wordt, dat God van eeuwigheid geordineerd heeft hen, die Hij met zijn liefde wil omhelzen en hen, jegens wie Hij zijn toorn wil oefenen; en dat Hij aan allen zonder onderscheid de zaligheid verkondigt. Ik zeg, dat ze uitnemend met elkaar overeenkomen. Want wanneer Hij zo beloften doet, wil Hij niet anders zeggen, dan dat zijn barmhartigheid voor allen bereid is, die haar slechts begeren en inroepen, wat slechts zij doen, die Hij verlicht heeft. En Hij verlicht hen, die Hij gepredestineerd heeft ter zaligheid. Voor hen, zeg ik, staat de waarheid der beloften vast en onwrikbaar, zodat men niet kan zeggen, dat er enige tegenstrijdigheid is tussen Gods eeuwige verkiezing en het getuigenis zijner genade, dat Hij de gelovige aanbiedt. Maar waarom noemt Hij allen? Wel, opdat de consciëntiën der vromen veiliger zouden rusten, wanneer zij begrijpen, dat er geen enkel onderscheid tussen zondaren is, wanneer slechts het geloof aanwezig is; en opdat de goddelozen niet zouden voorwenden, dat ze geen wijkplaats hebben, waarheen ze zich van de dienstbaarheid der zonde kunnen terugtrekken, doordat ze de hun geboden wijkplaats door hun ondankbaarheid versmaden. Daar dus aan beiden Gods barmhartigheid door het evangelie aangeboden wordt, is het het geloof, dat is Gods verlichting, dat onderscheid maakt tussen vromen en goddelozen: zodat de eersten de werkdadigheid van het evangelie gevoelen, de anderen echter daaruit geen vrucht verkrijgen. Ook de verlichting zelf heeft Gods eeuwige verkiezing tot regel.
Je mag raden van welke oudvader dit afkomstig is.