Als je op grond van dit citaat meent te kunnen zeggen dat Brakel stelt dat zowel gelovigen als ongelovigen, bekeerden als onbekeerden in het genadeverbond zijn, dan begrijp je mijns inziens niet wat hij hier probeert te zeggen met uitwendig in het verbond zich inlaten enkel door de doop en niet door een waar geloof (zie met name het laatste citaat). Ik kan hier opnieuw de hele visie van Brakel opschrijven, maar heb dat al meermaals gedaan. Neem eenvoudig zelf de Redelijke Godsdienst ter hand en lees dan de hoofdstukken over het werkverbond (deel I, hoofdstuk 12), het verbreken van het werkverbond (deel 1, hoofdstuk 13) en het genadeverbond (deel 1, hoofdstuk 16). Brakel is er voortduren heel expliciet in dat alleen door het geloof de zondaar overgaat uit het werkverbond in het genadeverbond. De personen die jij in het genadeverbond plaatst, plaatst Brakel in het werkverbond. De volgende citaten tonen dat voldoende aan, maar als je wilt dat ik dit verder uitwerk, dan hoop ik die moeite te nemen als mijn tijd het toelaat:Refojongere schreef: ↑Gisteren, 00:58Ik pak Brakel (39, XXIII)MNB schreef: ↑Gisteren, 00:14 Niet alleen verbond en belofte, maar ook Christus, Zijn gerechtigheid en de zaligheid als de inhoud van het genadeverbond zoals je zelf in de zin hiervoor stelt. In jouw verbondsopvatting metsel je een muur binnen het genadeverbond tussen bekeerden die deel hebben aan genoemde weldaden en onbekeerden die daar geen deel aan hebben. Toch stel je van beiden dat ze in het genadeverbond zijn. Dat deden onze voorvaders nu juist niet, en vanuit die geest is ook het doopformulier opgesteld.Pak een willekeurige oudvader en zij zullen de verzegelende kracht van het verbondsteken alleen toestemmen bij de de ware gelovigen, omdat de verzegeling zelf door het geloof plaatsvindt.
"Als dus iemand in het verbond zich heeft ingelaten, ‘t zij in waarheid, ‘t zij uiterlijk, en gedoopt is, zo zijn ze verplicht ook hun kinderen aan Christus in het verbond over te geven en die te laten dopen, omdat het verbond gemaakt wordt ook met hun kinderen."
Daarmee zitten ze in het verbond. Toch?
Over de reikwijdte van het werkverbond zegt hij het volgende:
Als definitie van het genadeverbond geeft hij het volgende:Brakel (Redelijke Godsdienst Deel 1, hoofdstuk 13, paragraaf 10) schreef: Nochtans blijft dat verbond [MNB: namelijk het werkverbond] in zijn volle kracht, en verbindt het gehele menselijke gesclacht (in zoverre het niet is overgebracht in het verbond der genade) én tot gehoorzaamheid én tot straf.
Over de onbekeerden die zich slechts uitwendig (door doop en belijdenis) in het genadeverbond inlaten zegt hij het volgende:Brakel (Redelijke Godsdienst Deel 1, hoofdstuk 16, paragraaf 3) schreef: Het Verbond der Genade is een heilige, heerlijke, welgeordineerde en eeuwigdurende overeenkomst of verdrag tussen de Algenoegzame, Goede, Almachtige, Rechtvaardige, Getrouwe, Waarachtige en Onveranderlijke God aan de ene zijde; en tussen de uitverkorenen [MNB: hier zegt hij wie er in het genadeverbond zijn], die in de natuur zondig, verdoemelijk, onmachtig, walgelijk, hatelijk en ondragelijk zijn, aan de andere zijde; in welke God belooft de verlossing van alle kwaad, en de toebrenging van alle zaligheid uit Genade, door de Middelaar Jezus Christus; en in welke de mens met al zijn hart, en vol van die beloofde goederen te komen, in het Woord voorgesteld toestemt, dezelve aanneemt, en zich daartoe in dat Verbond aan God overgeeft [MNB: in de hier voorgaande zin beschrijft Brakel de geloofsdaad waardoor de uitverkorene van zijn kant in het genadeverbond ingaat], hetwelk God, tot verzekering van de bondgenoten, door Sacramenten verzegelt; alles tot verheerlijking van de vrije en ondoorgrondelijke Genade Gods
Brakel (Redelijke Godsdienst Deel 1, hoofdstuk 16, paragraaf 43) schreef: De onbekeerden, schoon zij zich uitwendig in het Verbond der Genade inlaten, zo zijn zij toch in hetzelve niet…. Zij, niet zijnde ware leden van het Verbond der Genade, en zo zonder Christus, zonder belofte.