Long Reads

Geeske_1991
Berichten: 487
Lid geworden op: 11 apr 2018, 11:00

Re: Long Reads

Bericht door Geeske_1991 »

-DIA- schreef:Wij zijn nu weer gekomen aan de avond van het jaar 2025. Wat is het nog maar kort geleden dat ik op de nieuwjaarsdag tegen mijn broer zei: We zijn nu 2025 begonnen, maar zullen we het jaar nog mogen eindigen?
Ik had zelf het gevoel: het kon het laatste jaar wel zijn. En nu zijn we weer aan de avond van dat jaar. Maar we zijn nog niet in het nieuwe jaar. Laten we maar bedenken dat we niet oud behoeven te zijn om het nieuwe jaar niet meer te beginnen.

Vandaag las ik een stukje van een predikant die jaren geleden in onze gemeente heeft mogen dienen. Toen hij schreef wat ik las was het in het jaar 1964. Ik was zelf nog een kind. Maar ik weet heel goed hoe het was in dat jaar. We zien vele veranderingen.
De predikant die in 1964 onderstaande schreef zag toen ook veel wat hem verontrustte. Als we dit zo lezen kunnen we wel eens denken: Als deze prediker onze tijd eens had mee moeten maken, hoe zou hij daar onder zijn? Zou hij hier kunnen leven onder deze druk en oordelen? Maar hij is hier niet meer. God heeft hem weggenomen voor deze dag van het kwaad dat we nu zien, en wat hij niet behoefde mee te maken, maar wat hij als het ware wel van verre zag.
Laten wij eens luisteren wat hij schreef in 1964. Voor sommigen kan het ontdekkend zijn. Want het is ook een zekere waarheid dat velen de tijd waarin wij samen leven niet doorgronden.
Ik zal hieronder het stukje laten volgen wat ik vandaag las. De bron is voor hen die het na willen zien, digibron:

https://www.digibron.nl/zoeken/jaar/196 ... m-oplopend

Aan de vooravond van...
Neen, het is geheel mijn bedoeling niet om te gaan profeteren; ik ben geen profeet, noch eens profeten zoon. Wij hebben in Gods raad niet gekeken, en het is geboden en raadzaam om verre, zeer verre van dat terrein af te blijven. De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God, Deuteronomium 29:29. Het past ons niet als dwazen in onszelf, en "kortzichtig" als wij zijn, in te dringen in dingen, die voor ons te hoog zijn. Ook te dezen opzichte kunnen wij beter bidden dan profeteren!
Doch anderzijds is het ook te veroordelen, sterk te veroordelen, om maar gedachteloos* voort te leven. Wij zijn redelijke schepselen, en wij hebben naar het getuigenis van Christus Zelf: Mozes en de profeten. Ja, gelijk wij lezen in 2 Petrus 1:10, het profetische woord, dat zeer vast is, en waarop wij acht moeten geven, 'als op een licht, schijnende in een duistere plaats. Met welk een heilige ernst heeft Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde het ons toegeroepen acht te geven op de tekenen der tijden. "En hetgeen Ik u zeg, dat zeg Ik u allen: Waakt", Markus 13:37.

Het is het werk van de wachter, wanneer hij het zwaard ziet komen over het land, om met de bazuin te blazen en , het volk te waarschuwen, Ezech. 33:2. O, wat een gewichtvol en hoogst verantwoordelijk werk is Gods knechten toebetrouwd. Zeker, de wachters op Sions muren mochten geduriglijk al de dag en al de nacht niet zwijgen. „O gij, die des Heeren doet gedenken, laat geen stilzwijgen bij ulieden wezen, totdat Hij bevestige en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde", Jeremia 62:67. Doch het mag nimmer eenzijdig zijn; het eerste doen en het andere niet nalaten. Wij lezen ook in Jesaja 58:1: „Roep uit de keel, houd niet in, verhef uw stem als een bazuin, en verkondig Mijn volk hun overtreding, en het huis Jacobs hun zonden") Jesaja 58:1. En denk dan ook aan Jeremia, die van de Heere dé boodschap kreeg: "Gij dan, gord uw lendenen en maak u op en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla".

En Ezechiël werd vermaand om niet te vrezen, hoewel weerwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont. Maar gij zult Mijn woorden tot hen spreken, hetzij dat zij u horen zullen, of dat zij het laten zullen (Jesaja 2:6-7). En helaas het is in onze dagen niet anders. Wat wordt er geijverd in onze dagen, om zoals het genoemd wordt: "De Schrift te verklaren, het Evangelie te verkondigen", de mensen te dringen te geloven enz. O, het klinkt alles zo geweldig, maar - maar - het is over het algemeen alles zo leeg, zo koud, en zo dood. Wel een voorwerp, maar geen onderwerp. Wel wordt er gezegd, hoe het moet zijn, maar zo weinig, hoe het is, en hoe het gaat. Nog na zovele jaren klinkt het soms in mijn oren, dat één onzer onvergetelijke en geliefde leraars zei in een preek: Paulus wist hoe het was, maar ook hoe het ging. Petrus moest op Goddelijk bevel afsteken naar de diepte, en daar is het voedsel voor Gods kerk. Wet en Evangelie moet gepredikt: die twee bazuinen moeten geblazen worden. Welk profijt zou het voor ons hebben, al zou de gehele wereld vol zijn met zalf, als wij geen wonden hebben? Dan zijn al de medicijnen waardeloos voor ons. Een hongerige ziel is alle bitter zoet, maar een verzadigde ziel vertreedt het honingzeem. Het kwaad moet open gelegd, en de zonde moet bestraft worden. De bestraffende man in de poort wordt zo gemist. Het is over het algemeen: "Spreek tot ons zachte dingen". Ja, een mens wil niet verontrust worden, en eerlijk gezegd, hij wil maar bedrogen worden voor de eeuwigheid. Onze ouden spraken en schreven over een eenzijdig Godswerk, maar nu gaat het zachtjes aan afglijden naar een leer, waarvan wij straks niet anders zullen kunnen zeggen dan: een eenzijdig mensenwerk. Wij zijn gewaarschuwd; het is ons voorzegd. Maar wie heeft er acht op geslagen?

Ik schreef hierboven: aan de vooravond van (ik zal het nu maar verder neerschrijven, wat in mijn gedachten was) de afval. Christus heeft in Zijn omwandeling op aarde, inzonderheid aan het einde van Zijn leven, voor Zijn sterven, ons niet onbekend gelaten met hetgeen er plaats zou grijpen voordat Hij andermaal wederkomen zou om te oordelen de levenden en de doden. Hij sprak van de vervolging van de kerk, maar ook van de verleidingen des satans en van het diepe verval, dat in de kerk aanschouwd zou worden. Christus heeft te dien opzichte duidelijke taal gesproken. Ook de apostel Paulus heeft in enkele van Zijn doorluchte brieven over de afval geschreven, zie 2 Thess. 2, 1 Tim. 4 en 2 Tim. 3. Volgens de verklaring die door onze kanttekenaars is gegeven, zal het een afval zijn van de zuiverheid des Evangelies.

Er wordt niet gezegd, dat er geen godsdienst meer zijn zal. O neen, een groot gedeelte van de wereld is vervuld met godsdienst. Vele steden en dorpen lijken op Athene, waar Paulus van schreef in Handelingen 17:22. Ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt. De ene kerk na de ander verrijst, ener is geen eind meer aan de genootschappen en sekten, die als paddenstoelen uit de grond opkomen. Bij duizenden en miljoenen guldens worden er geofferd om een kerkgebouw te krijgen naar de eisen des tijds. De één wil boven de ander uitsteken en uitblinken. Paleizen van kerkert verrijzen er; van alle gemakken voorzien, en ingericht op zodanige wijze, dat men alles onder één dak heeft: het vlees kan er ook gevoed worden. En het is inderdaad met de vermenigvuldiging van de godsdiensten: Elk wat wils. Maar wanneer het tot het punt komt, het aller voornaamste punt: wat is de grondslag, waar gaat het om? dan al het antwoord niet bevredigend en bemoedigend kunnen zijn.

De algemene christelijke kerk is de heilige vergadering der ware Christgelovigen, al hun zaligheid verwachtende van Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. En dan de merktekenen van de ware kerk, waar toch elke kerk aan getoetst moet worden, zijn: zo de kerk de reine prediking des Evangelies oefent, indien zij gebruikt de reine bediening der sacramenten, gelijk ze Christus ingesteld heeft, zo de kerkelijke tucht gebruikt wordt, om de zonden te straffen. En de rechte verkondiging van het Woord is daar, waar God op het hoogst verheerlijkt en de zondaar op het diepst vernederd wordt. Waar de drie stukken van ellende, ' verlossing en dankbaarheid gepredikt worden op de grondslag van Gods onfeilbaar, dierbaar en alleen tot zaligheid leidend Woord. Waar voor niets anders plaats is dan voor de verkondiging van de leer van 'vrije genade, met uitsluiting van alle werk en bewegingen van de mens, wiens gerechtigheid voor God toch niet anders is dan een wegwerpelijk kleed. Ik zal het voor ditmaal niet verder uitbreiden. Doch in die enkele regels, overgenomen van hetgeen onze vaders ons hebben geleerd, is het duidelijk genoeg, dat wij onderscheid moeten maken tussen de ware en de valse kerk. De wereld is vol met kerkgebouwen, maar als het er op aan komt, dan is er maar ene ware Kerk. En dat is die Kerk, waar gebogen wordt, en erkenning gevonden van het enige Hoofd van de Kerk, nl. Christus Jezus. Daar waar Hij Koning is en waar onvoorwaardelijk gebogen wordt onder Zijn heerschappij en autoriteit. Waar Zijn wetten en ordinantiën alleen maar recht van bestaan hebben, aanvaard en geëerbiedigd worden. Ik toch, zo sprak de Vader in Ps. 2 : 6, heb Mijn Koning gezalfd over Sion, de berg van Gods heiligheid. Die Kerk is overgebleven als een hutje in de wijngaard, als een nachthutje in de komkommerhof, als een belegerde stad, Jesaja 1:8.

Dat is Sion, niemand vraagt naar haar, Jesaja 30:17. Wanneer wij die kerk bezien van Gods zijde, en wat God er van denkt, en hoe die kerk is in de ogen van Christus, en. zoals' het volk van God er soms op staren mag? Dan kunnen wij geen beter en gepaster antwoord geven, dan wat wij lezen in Psalm 48:3-4: „Schoon van gelegenheid, een vreugde der ganse aarde, is de berg Sion, aan de zijden van het noorden de stad des groten Konings. God is in haar paleizen. Hij is er bekend voor een hoog vertrek". Dat is de onzichtbare kerk, en die kerk waarvan Christus betuigd heeft, dat de poorten der hel haar niet zullen overweldigen. Zeker, daar zijn ook tijden geweest, dat de zichtbare kerk als een stad op een berg was, vanwege de glans die er op lag; de glans van de waarheid, en de glans van de godzaligheid.
Dat is zo geweest toen de jeugd van de kerk vernieuwd werd als van een arend, in de dagen van het doorluchte Pinksterfeest. Dat is ook aanschouwd, toen de ware Kerk zich van de valse kerk heeft afgescheiden. Toen de Reformatie veld won, het licht wederom op de kandelaar kwam, en de leer van vrije genade de overhand had, toen zovelen de martelaarskroon kregen, en de Heere Zijn kerk "als een lof op aarde" deed zijn. Helaas, nu moeten wij wel spreken over de vervallen hut Davids, vol met reten, Amos 9:11, vanwege de verbreking Jozefs en het verlaten van de Heere, van Zijn Woord en wet. In hoevele landen heeft God Zijn kerk gebouwd. Er zijn tijden geweest, dat er kracht van de kerk uitging, dat het was een lichtend licht, en een zoutend zout. Wat een professoren in de godgeleerdheid zijn er. geweest, die als leeuwen gevochten hebben voor de leer die naar den godzaligheid is. Wat hebben de hogescholen gebloeid, en wat zijn er in die tijden vele jonge mannen gevormd, die later als pilaren in Gods kerk gestaan hebben en met genade en gaven versierd, dé banier van de waarheid mochten opheffen, standvastelijk en onbewegelijk, altijd overvloedig zijnde in het werk des Heeren. Wat zijn vele preekstoelen vervuld geweest met gezalfde knechten, die donderden met hun stem en bliksemden met hun leven. Er zijn tijden geweest in verschillende landen, dat er vele banken en stoelen in de kerk bezet waren met de heiligen der hoge plaatsen en met de heerlijken, in dewelke al Gods lust was, dat de waarheid heerschappij had, en voor velen ten eeuwigen zegen was.

Doch nu is het over het algemeen: "Ik heb Mijn huis verlaten. Ik heb Mijn erfenis laten varen. Ik heb de beminde Mijner ziel in de hand harer vijanden gegeven", Jeremia 12:7 enz. Zekerlijk Gods Geest zal niet geheel wijken van de kerk, en er zal een persoonlijke bediening blijven. Over het algemeen dan is het: "De tong van het zoogkind kleeft aan zijn verhemelte van dorst, de kinderkens eisen brood, er is niemand, die het hun mededeelt. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgetrokken zijn, omhelzen de drek", Klaagliederen 4:4-5.
En terwijl ik dit alles schrijf, ben ik ervan overtuigd, dat er zullen zijn, die het niet overnemen. Buiten ons zijn er velen, die roemen over de zegeningen, die ze in hun kerkelijk leven hebben, zovelen toegang tot het Avondmaal gevraagd, het verenigingsleven bloeit enz. enz. Maar ook onder ons worden er gevonden, die het niet kunnen zien, dat het zo treurig gesteld is. Zij denken inderdaad, dat het te zwart getekend is. Er komt meer en meer een geest van oppervlakkigheid op, die zich tevreden stelt met de schors der waarheid, maar geen oog heeft voor het pit en merg derzelve. Maar ook gevoel ik, dat er hier en daar nog zielen zijn, die er met hun ganse hart mee instemmen zullen. Och, dat Israëls verlossing uit Sion kwame!

En om nu tot mijn onderwerp te komen, dan mocht de Heere" mijn hand en pen besturen, om enige zaken te ontvouwen ten opzichte van de ernstige en bange tijden die wij beleven. Door alle tijden heen zijn er naar Gods Woord mensen geweest, die van het geloof zijn afgevallen. Paulus klaagt: "Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen". Er is altijd kaf onder het koren geweest. Altijd zijn er mensen geweest, die zich voor een zekere tijd voordeden alsof zij levende leden van de Kerk waren, maar die openbaar geworden zijn als missende het leven, en als vijanden van God en Zijn volk. Er was zelfs een Judas in de kring der apostelen; een man die gepredikt heeft, duivelen uitgeworpen en vele krachten gedaan, doch die uiteindelijk onschuldig bloed heeft verraden. Denk ook om een Ananias en Saffira, die door God Zelf openbaar zijn gemaakt als mensen, wier hart vervuld was door de satan, dat zij de zonde tegen de Heilige Geest hebben bedreven. Handelingen 5. Maar waar Paulus over schrijft, dat is wat anders. Hij heeft het oog op een afval, die algemeen wordt en zulke afmetingen aanneemt, als nog nooit tevoren in de kerk aanschouwd is. Gehele gezinnen, gehele families zullende waarheid vaarwel zeggen en breken met hetgeen waarin zij opgevoed en opgebracht zijn. De kerken, die eenmaal door hun vaderen gebouwd waren, zullen als zij niet verkocht zijn, overgenomen zijn voor publieke vermakelijkheden, door zeer weinigen meer bezocht worden. Een afval onder leraars, een afval onder leden, geen catechisaties meer.' De grote massa zal de waarheid de rug toekeren, en in een diep zondig leven zich rijp maken voor het naderende oordeel van de grote dag. Ja, er zal gelijk door één onzer ontslapen leraars opgemerkt is, een algemene afval van de kerk plaats vinden, nadat deze onder alle naties en geslachten en volken en talen zal zijn gesticht. Die afval zal geschieden onder een hoofd, nl. de mens der zonde, de zoon des verderfs, een omvangrijke afval, dat degenen, die dé kerk des Heeren verlaten, onder Satans aanvoering een macht zullen vormen ter bestrijding van Christus' Koninkrijk. Dat wil dus niet zeggen alleen, dat zij zich van de zuivere waarheid zullen afscheiden, maar dat ze ook de ware kerk Gods zullen gaan vervolgen. Dat zij met de waarheid de spot zullen drijven, en zich verenigen zullen onder de banier van de antichrist, om de kerk te benauwen, en zelfs in bittere vijandschap de leden van de ware kerk uit het publieke leven zullen uitsluiten. Zie wat daarvan voorspeld is in Openbaring 13.

Wat zijn nu de voortekenen van die grote afval en wat zijn (de redenen en gronden, waarom wij zo bevreesd zijn dat wij aan de vooravond van die afval zijn gekomen, of dat wij met rasse schreden er heengaan? Kort geleden las ik een artikel in een kerkelijk blad, waarin geklaagd werd over de ontheiliging van Gods dag. De ontheiliging van Gods dag? Ja, er werd opgemerkt, dat een groot gedeelte alleen maar ter kerk komt op zondagmorgen en dat zij de rest van de dag opeisen voor zichzelf, om op visite te gaan, uit te gaan en door te brengen tot verzadiging van hun eigen vlees. In een kanselboodschap, die in verschillende kerken werd voorgelezen kort geleden, werd er o.a. gewaarschuwd tegen de slechte invloed van zogenaamde realistische lectuur, films en van de televisie, die voor velen een ban dreigt te worden, zodat zij alles zien en op zich laten inwerken. De wereld is in de kerken gebracht, en de huizen zijn voor de wereld opengezet, en zeker wordt er door sommigen gewaarschuwd, maar alles is al zolang oogluikend toegelaten, dat velen reeds zo vergiftigd zijn, dat er, menselijk gesproken, geen genezen meer aan is. Het begin van de afval is er ongetwijfeld. Waar is de huisgodsdienst? Waar wordt er nog gesproken over de dingen der eeuwigheid? Waar is er nog tijd en gelegenheid om een gesprek te beginnen, en waar is er nog vrijmoedigheid om zich vrij te maken van het bloed onzer kinderen?

Alles werkt mee om tegen te werken. De jongens moeten leren, die meisjes moeten wat worden in de wereld. Catechisatie? Dat uur kan er bijna niet af. Het is inderdaad waar, dat er in onze dagen van de jonge mensen veel meer geëist wordt dan in de jaren die achter ons liggen. Maar de hoofdzaak dat er zo weinig belangstelling is voor het onderzoek der waarheid, is dat de liefde tot de waarheid gemist wordt. Als wij eerlijk de waarheid zullen schrijven zoals het is, dan moeten wij zeggen: de wereld komt eerst met al zijn uitgaan en vermaak. Dat is de reden waarom het catechisatie houden zo moeilijk wordt. Wie zal in deze dagen onder de jonge mensen voorbereid, ter catechisatie komen? Waar wordt Gods Woord nog onderzocht en waar vindt ge in de gezinnen de geschriften onzer vaderen? Er wordt meer geld gespendeerd voor tijdschriften, dan voor een oude schrijver. Laten wij het maar eerlijk zeggen: men heeft er geen belang meer bij. De onkunde wat de waarheid betreft, neemt hand over hand toe Vroeger werd in de huizen er nog over gesp rok en vroeger zat men nog te luisteren naar de gesprekken van het volk van God. Dan werd er nog gehoord, hoe God een mens bekeert en langs welke wegen God Zijn gunstgenoten leidt. Doch dat is ook over het algemeen zo ver weg. De goedertierene ontbreekt en de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensen, Psaln12:2. Het volk gaat weg op vele plaatsen, en die er nog zijn, hebben over het algemeen een magerheid aan hun ziel. Och ja, een magerheid vanwege het ver afleven van de Heere. En het is nog een wonder als er nog enkelen zijn op een plaats, dat ze nog met elkander leven kunnen en willen. Het ligt alles zo verbroken, het is meer een staan boven elkander, dan naast en achter elkander; meer een zuchten tegen elkander, dan om en met elkander. De duivel lacht er om, en de wereld spot er mee. En de oorzaak van dat alles? Het dadelijke leven wordt zo gemist, de oefeningen des geloofs zijn zo weinig, het leven legt zo weinig beslag, de vreze Gods weggebannen door de wereldgelijkvormigheid, en dat betekent dat de dam tegen de zonde weg is.

De Waarheid is nog niet geheel weg. Maar enige tijd geleden werd de opmerking gedaan: er is verschil tussen de waarheid en de oude waarheid. De bedoeling van die opmerking-was, de waarheid, oppervlakkig verklaard naar de letter, maar de oude waarheid, daar bedoelde die vrouw mee, dat er gesproken wordt naar het hart van Jeruzalem, Schriftuurlijk, bevindelijk, practicaal. Uiteindelijk is er vanzelf maar één waarheid.
Ik ga daar nu niet verder op in, maar wel wil ik opmerken, dat al is het de oude waarheid, toch is er nog zulk een verschil met hetgeen ons overgeleverd is. En wat dat verschil is, met insluiting van onszelf? Een ontslapen leraar zei eens na een ontmoeting met een beproefd kind des Heeren: ik heb de woorden, maar die man heeft de zaken. En nu kunnen onze woorden o zo rechtzinnig zijn, zwaar gereformeerd, maar, maar waar is de zalving van Gods Geest en dat ons hart, huis en kerk onder het spreken, bidden en preken en onderwijzen van de jeugd, vervuld worden met de reuk der zalf gelijk in Johannes 12:3?

Laten wij het maar eerlijk bekennen: dat is het gemis. Ik hoop geen mensen te verheerlijken of te verachten. Maar hoe vaak gebeurt het niet, wanneer wij de geschriften onzer vaderen ter hand nemen, dat het ons raakt, dat we onder de indruk van het geschrevene komen en dat er zulk een liefde in verklaard ligt, dat je dadelijk zegt: "dat is het". En oordeel nu zelf maar, hoe het over het algemeen in onze dagen is. Wij zijn meer dominees dan zondaars. Christus zei: Brengt van de vissen, die ge nu gevangen hebt. Verse vis, en die smaakt het lekkerst. Wat zijn er weinigen, gelijk eenmaal in Sardis, die hun klederen niet bevlekt hebben. Schaamte, diepe schaamte moest onze harten en aangezichten wel bedekken. Het is meer onszelf op de been zien te houden, dan onze benen breken, meer ijveren voor onszelf, dan voor de eer Gods. Wat wordt de Heere Jezus veel voor de tweede maal gekruisigd en waar is er nog een wezenlijke ootmoedige benodiging van God de Heilige Geest, als Persoon en in Zijn bediening? Het oordeel begint van Gods huis. Het gaat zo gemakkelijk om de splinter in het oog onzes broeders te zien, maar om de balk in ons eigen oog eens waar te nemen en er last van te krijgen, dat is wat anders. O, wat zou het toch een weldaad zijn, als we zelf „de man" voor God mochten worden. En nu kan dat nog wel eens genoemd worden, maar de belijdenis is geen praktijk en de belijdenis brengt ons niet in de nood. Met al ons ootmoedig praten blijven wij voor God de hoogmoedige farizeeër. Wij kunnen onze klederen wel scheuren, maar ons hart blijft wat het is. Gods volk kan nooit afvallen, o neen, dat is onmogelijk. Zij worden in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in de laatste tijd, 1 Petrus 1:5. Wél kan er een vallen, en een diep verval in hun leven komen, dat er wel een onderhoudsleven is, maar geen gemeenschapsleven: Koud noch heet, maar lauw, gelijk wij lezen van de gemeente van Laodicea in Openbaring 3. En dat de wijze maagden met de dwaze in slaap zijn gevallen. Dat de Heere Zich nog over Zijn erfdeel ontfermen mocht, en dat het ook bij ons mocht worden als het was bij de profeet Micha: Mijn ziel begeert vroegrijpe vrucht.

De voortekenen van de "afval" worden meer en meer openbaar. Wij moeten wel moedwillig onze ogen sluiten om het niet te zien en op te merken. Het zal naar Gods Woord bang op de aarde worden. Wat voorspeld is, zal vervuld worden. Dat is zeker en gewis. En nu is het bang omdat het niet bang is. We zien het voor onze ogen. Wij nemen het waar, neen niet alleen in de grote wereld, die mét God geen rekening meer houdt, en zich rijp maakt voor het naderend oordeel. Maar ook op het erf van Gods kerk, in onze eigen omgeving, in hart en huis. Het verval is zo groot en het neemt steeds groter afmetingen aan, maar er is geen stem, noch opmerking. We worden alles zo gewoon. We schikken onszelf in de toestand en er is geen smart over. Wij roeren het nog wel eens aan, maar het werkt niets uit en het brengt ons niet op de rechte plaats. We zien het in de kerk, een geest van onverschilligheid, verzet, belangeloosheid en grote onvruchtbaarheid. De waarheid wordt schier niet meer verstaan en om de grondslagen van de leer is er weinig bekommering meer. Als God het niet verhoedt, dan zal er straks een gedeelte mensen liever een zondagschoollesje horen, dan een doorwrochte predicatie, waarin de grondslagen worden blootgelegd en verdedigd en het leven Gods verklaard, omdat het niet meer begrepen wordt. Waar nu nog driemaal dienst is, zal een gedeelte er wel voor stemmen om het tweemaal te doen. En wellicht waar het tweemaal is, zal men straks vragen om eenmaal. Hoe langer hoe meer gaan verschillenden het kerkgaan tot eenmaal beperken. In sommige gemeenten behoort het nu tot "enkele uitzonderingen", maar ook te dien opzichte zien we met vrees de toekomst tegemoet. De waarheid doet zo weinig kracht meer op de consciënties, de verharding neemt hand over hand toe, en de godsdienst wordt meer en meer bijzaak. De taak van de ambtsdragers in Gods kerk wordt steeds zwaarder en moeilijker, omdat de „tijdgeest" meer en meer veld wint en het leven steeds losser wordt. En in onze gezinnen? Och, wat een diep verval. Meer te klagen dan te roemen. De zonde is een hellend vlak. Hier wat toegeven; daar wat door de vingers zien, ginds wat overstappen, dan weer oogluikend toelaten wat verkeerd is, in plaats van te bestraffen en te vermanen. Een andere tijd: om de vrede te bewaren, over de consciëntie heenstappen en zwijgen. Meer liefde tot onze kinderen dan liefde tot God. De vrijmoedigheid om aan te houden in het vermanen gaat meer en meer weg. En daar gaat het heen! Altijd oorlog in huis, dat kan toch ook niet. En altijd maar waarschuwen op de catechisatie, dat wordt toch ook zo ellendig. Elke zondag de zonde bestraffen op de preekstoel, dat maakt de mensen ook zo opstandig. Je wordt er zelf ook .moe van. Uiteindelijk dan komen wij tot het besluit: het is toch een stroom die niet te keren is. Maar wij beseffen maar niet genoeg, dat wij God er aan wagen en zelf al maar dieper wegzinken. Het ongenoegen Gods komt; de Heere verbergt Zijn aangezicht. In het houden van Gods geboden is groot loon; maar die God verlaat, heeft smart op smart te vrezen Psalm 32:5.

Och, waar zullen wij beginnen en eindigen! De oude paden zijn verlaten; afgeweken, afgedwaald en niet meer terug kunnen komen. Soms wordt er nog wel eens wat gezegd, maar de mens gaat door. En al is het met alle gebrek nog een weinig in de band, een mens moet tot God bekeerd worden. Straks wordt het eeuwigheid. En sterven gelijk wij geboren zijn, dat betekent voor eeuwig verloren, voor eeuwig onder Gods toorn en voor eeuwig van God gescheiden. De Heere Jezus heeft tot de Joden gezegd: Tenzij dat uw gerechtigheid overvloediger is dan der Schriftgeleerden, gij zult het Koninkrijk Gods niet ingaan. En ook die onvruchtbaarheid, onbekeerlijkheid, toenemende verharding, o wat drukt het weinig op onze zielen. Er moest wel een geschreeuw tot God opgaan, dag en nacht, maar och, het is alles zo stil. Het wordt alles zo een gewoonte, ook dat God Zich onttrekt van onze families en van ons geslacht.

Och, wat zou het een verandering geven in onze gezinnen als dat kindergeschreeuw nog eens vernomen werd. Dan zou de duivel wel boos zijn, maar het zou in onze gezinnen zulk een ander leven worden. Gods werk legt beslag, daar gaat wat van uit. Dan zou er niet veel meer te twisten zijn, of dit zonde is en of dat wel mag. Gods werk komt in de vrucht openbaar. Dan is er een haten en een laten van de zonde en een najagen van de gerechtigheid. Rechtvaardig kan de Heere ons overgeven, ook ons geslacht, ziende op al onze ontrouw en nalatigheid en verkeerde liefde. Ja, zien wij op onszelf, op onze biddeloosheid en behoefteloosheid, dan is er niet veel goeds te wachten. Als het van onze zijde komen moet, dan zal het wel kwijt zijn. Maar een weldaad, dat de Heere Zelf betuigd: Dit zij u bekend, o huis Israëls: Ik doe het niet om uwentwil, maar om Mijns groten Naams wil, opdat die verheerlijkt worde. O, dat het ons tot sterkte moge zijn, wat de dichter van de oude dag gezongen heeft in Psalm 105:5 (Datheen):
Want God gedenkt altijd genadig.
Aan Zijn verbond, hetwelk blijft gestadig.
En aan dat woord dat Hij heeft klaar
Toegezeid, en wil houden waar.
In 't duizendste geslacht dat leeft.
Zo Hij Abraham beloofd heeft.


Er zal een kerk blijven tot aan de afloop der eeuwen. O, dat wij met onze kinderen toch niet zullen wegzinken, maar opgehaald mogen worden, opgenomen en overgenomen in dat eeuwig Verbond, dat niet zal worden vergeten, Jesaja 50:5. Wat zou het een eeuwig Godswonder zijn, als God in Zijn soevereine genade nog bemoeienissen wilde maken en Zijn wonderen nog tot een gedachtenis stelde. Voor de Heere is niets te wonderlijk. Hij mocht Zijn arm nog eens ontbloten, en Christus verheerlijken in de harten van zondaren, die nooit naar Hem gevraagd en nooit naar Hem gezocht hebben. Waard zijn wij het niet, en verdiend hebben wij het ook niet, maar de Heere mocht het nog doen tot de eer van Zijn driemaal heilige Naam, en tot verhoging van al Zijn deugden. God geve getrouw makende genade, om in een wegzinkende tijd niet meegevoerd en vervoerd te worden met de stroom des tijds, doch bewaard te worden in de grote verzoeking, die over de gehele aarde komen zal. Dat de eer Gods voor ons boven alles staan moge, en de liefde van Christus ons moge dringen. Dan zullen wij niet afwijken, noch ter rechter- noch ter linkerhand, maar gesterkt door de armen van de Machtige Jacobs, in de waarheid wandelen, en die waarheid zal ons vrijmaken. Dat geve de Heere uit genade om Christus' wil.

Grand-Rapids, wijlen ds. W.C. Lamain.
Wat kinderlijk eenvoudig toch.
Het is waar, de waarheid wordt bijna niet meer gehoord. Maar zeg deze teksten uit eigen naam en men klaagt dat je twijfel zaait en mensen hun bekering afpakt....
KDD
Berichten: 2408
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

ds. Thomas Boston schreef:
Nu moet ik aantonen hoe de ranken van de natuurlijke stam, de eerste Adam, worden afgesneden, en in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, worden ingeënt.
Het is aan de landman te danken, niet aan de rank, dat ze van haar natuurlijke stam wordt afgesneden en in de nieuwe stam wordt ingeënt. Als de zondaar van de eerste stam wordt afgehaald, dan is hij lijdelijk. Hij kanen wil ook niet uit eigen beweging eraf komen, maar hij klemt zich eraan vast, totdat hij door de kracht van de Almachtige eraf genomen wordt: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader Die Mij gezonden heeft, hem trekke" (Johannes 6:44). En in Johannes 5:40: "En gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven moogt hebben." De ingeente ranken zijn "Gods akkerwerk" (l Korinthe 3:9), "een planting des HEEREN" (Jesaja 61:3). Het gewone middel waarvan Hij gebruikmaakt bij dit werk, is de bediening van het Woord: "Wij zijn Gods medearbeiders" (l Korinthe 3:9). Maar de krachtige uitwerking ervan is geheel van Hem, welke bekwaamheden de predikant ook bezit, of hoe godvruchtig hij ook is: "Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God Die den wasdom geeft" (l Korinthe 3:7). De apostelen predikten tot de Joden, maar toch bleef de grootste meerderheid van dat volk ongelovig: "Wie heeft onze prediking geloofd?" (Romeinen 10:16). Ja, Christus Die sprak zoals nooit een mens had gesproken, zegt Zelf over de vrucht van Zijn eigen evangeliebediening: "Ik heb tevergeefs gearbeid, Ik heb Mijn kracht onnuttelijk en ijdellijk toegebracht" (Jesaja 49:4). Er kan op de ranken gehakt worden door de prediking van het Woord, maar de slagen zullen er nooit doorheen gaan, totdat ze afdoende geraakt worden door een slag van een almachtige arm. Gods gewone wijze van handelen is echter om "door de dwaasheid der prediking zalig te maken die geloven" (l Korinthe 1:21). De afsnijding van de rank van de natuurlijke stam wordt verricht door het snoeimes van de wet in de hand van Gods Geest: Want ik ben door de wet der wet gestorven" (Galaten 2:19). Wij zijn door de band van het verbond der werken, zoals ik hiervoor al gezegd heb, verbonden met onze natuurlijke stam. Daarom doen mensen met het verbond der werken, zoals een vrouw die niet gaarne verstoten wil worden, met de huwelijksband doet: zij pleit erop en zij klemt zich eraan vast. Zo doen mensen met het verbond der werken. Zij houden zich eraan vast, zoals de man die het schip met zijn handen vasthield: toen zijn ene hand eraf gehakt werd, bleef hij het schip vasthouden met zijn andere hand en toen allebei zijn handen eraf gehakt waren, hield hij het vast met zijn tanden. Dit zal blijken als wij het werk dat de Heere aan mensen besteedt wanneer Hij hen van de oude stam verwijdert, duidelijk in ogenschouw nemen. Ik stel nu voor dit te doen door u op de volgende bijzonderheden te wijzen.

Twaalf slagen waardoor een rank van de natuurlijke stam wordt afgesneden

1. Wanneer de Geest des Heeren in een persoon begint te werken om hem tot Christus te brengen, dan vindt Hij hem in een Laodicese toestand. Hij is vast in slaap, zich niet bewust van enig gevaar en hij droomt van de hemel en de gunst Gods, hoewel hij vol zonde is tegen de Heilige Israëls: "Gij weet niet, dat gij zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en naakt" (Openbaring 3:17). Daarom werpt de Geest enige lichtstralen in de duistere ziel en Hij laat de mens zien dat hij een verloren mens is, als hij geen nieuw blad opslaat en zich geen nieuwe levenswijze eigen maakt. Zo wordt er door de Geest des Heeren, Die handelt als de Geest der dienstbaarheid, een gerechtshof opgericht in het binnenste van de mens, waar hij wordt aangeklaagd, beschuldigd en veroordeeld wegens het verbreken van de wet Gods. Hij wordt overtuigd van zonde, en van gerechtigheid (Johannes 16:8). En nu kan hij niet langer gerust slapen in zijn vroegere levenswijze. Dit is de eerste slag die de rank krijgt om haar af te snijden.

2. Hierop verlaat de mens zijn vroegere goddeloze levenswijze. Hij verlaat zijn liegen, vloeken, sabbatsschending, stelen en andere praktijken, hoewel ze dierbaar voor hem zijn als zijn rechteroog. Hij zal ze liever laten varen dan zijn ziel verderven. Het schip gaat waarschijnlijk zinken, en daarom gooit hij zijn goederen overboord om zelf niet om te komen. En nu begint hij zichzelf in zijn hart te zegenen, en zijn bewijsstukken voor de hemel met blijdschap te bezien, terwijl hij zichzelf een betere dienstknecht van God vindt dan vele anderen: "O God, ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen: rovers, onrechtvaardigen, overspelers", enzovoort (Lukas 18:11). Hij krijgt echter spoedig weer een slag met de bijl van de wet, die hem laat zien, dat alleen hij die doet hetgeen geschreven is in het boek der wet, erdoor zalig kan worden. Zij laat hem ook zien dat zijn negatieve heiligheid een te geringe beschutting is tegen de storm van Gods toorn. En zo, hoewel zijn zonden van bedrijf daarvóór zwaar op hem rustten, beginnen nu zijn zonden van nalatigheid zich te verdringen in zijn gedachten en dat gaat gepaard met een reeks vloeken van de wet en van wraak. En elk van de Tien Geboden brandt op hem los met donderslagen van toorn, omdat hij de plichten die van hem geëist werden, heeft verzuimd.

3. Daarop gaat hij trachten een positief heilige levenswijze te leiden. Hij is niet alleen niet goddeloos meer, maar hij verricht ook godsdienstige plichten. Hij bidt, hij tracht zich de godsdienstige principes eigen te maken, hij onderhoudt de dag des Heeren stipt en zoals Herodes "doet hij vele dingen" en hoort predikaties "gaarne". Kortom, er is een grote mate van gelijkvormigheid in zijn uiterlijk gedrag aan de letter van de beide tafelen der wet.
En nu is er in die mens een geweldige verandering te zien, die zijn buren wel op moeten merken. Hij wordt daarom door de Godvruchtigen met blijdschap als een biddend mens in hun gezelschap toegelaten. Hij kan met hen spreken over godsdienstige zaken, ja, zelfs over zielsbevindingen waar sommigen geen kennis van hebben. En het goede oordeel dat zij over hem hebben, bevestigt het goede oordeel dat hij over zichzelf heeft. Deze stap in de godsdienst is voor velen die nooit verder komen, noodlottig.

4. Maar hier brengt de Heere aan de uitverkoren rank een nieuwe slag toe. De consciëntie beschuldigt hem heftig van enige verkeerde stappen die hij gedaan heeft in zijn levenswandel: de verwaarlozing van een of andere plicht, of het begaan van een of andere zonde die een smet werpt op zijn levenswandel. Dan verschijnt het vlammend zwaard van de wet boven zijn hoofd en de vloek weerklinkt in zijn oren, omdat hij "niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Galaten 3:10). 4. Om deze reden is hij verplicht een andere zalf te zoeken voor zijn pijnlijke wond. Hij gaat tot God, belijdt zijn zonden en hij smeekt om vergeving ervan, terwijl hij belooft er in de toekomst voor op zijn hoede te zijn. Zo vindt hij rust en denkt dat hij die wel nemen mag, aangezien de Schrift zegt: "Indien wij onze zonden belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, dat Hij ons de zonden vergeve" (1 Johannes 1:9). Hij houdt er geen rekening mee, dat hij grijpt naar een voorrecht dat alleen toekomt aan hen die ingeënt zijn in Christus en in het verbond der genade zijn opgenomen. De ranken echter die nog aan de oude stam groeien, kunnen daarop niet pleiten.
En hier worden soms nadrukkelijke en speciale geloften gedaan tegen die en die zonde en verbinden zij zich tot die en die plicht. Zo doen velen heel hun leven en zij kennen geen andere godsdienst dan het doen van hun plichten. Zij belijden de dingen waarin zij tekortschieten en vragen er vergiffenis voor, terwijl zij zichzelf de eeuwige gelukzaligheid beloven, hoewel zij volslagen vreemdelingen zijn van Christus. Hier zijn vele uitverkorenen gewond terneer geworpen en vele verworpenen zijn hier gedood, terwijl de wonden van geen van beiden diep genoeg waren om hen van hun natuurlijke stam af te snijden. Maar de Geest des Heeren geeft de rank die afgesneden moet worden, een slag die nog dieper gaat. De Geest toont hem dat hij tot nu toe slechts een heilige aan de buitenkant geweest is. De Geest ontdekt hem aan de vuile lusten die in zijn hart wonen, waaraan hij daarvoor geen aandacht schonk: "Maar als het gebod gekomen is, zo is de zonde weder levend geworden" (Romeinen 7:9). Dan ontdekt hij dat zijn hart een mesthoop is van helse lusten, gevuld met hebzucht, trotsheid, boosaardigheid, vuilheid en dergelijke. Nu, zodra de deur van "zijn geheelde binnenkameren" zo voor hem geopend wordt en hij ziet wat "zij doen in de duisternis", dan blijft er van zijn uiterlijke godsdienst niets over. Dan leert hij een nieuwe godsdienstige les, namelijk: Want die is niet een Jood, die het in het openbaar is" (Romeinen 2:28).

5. Daarop gaat hij verder, en gaat hij zich zelfs bezighouden met zijn inwendige godsdienst. Hij gaat krachtiger aan het werk dan ooit tevoren. Hij treurt over de boosheden van zijn hart, en hij tracht het onkruid te overwinnen dat hij in die verwaarloosde tuin ziet groeien. Hij spant zich in om zijn hoogmoed en zijn hartstocht te bedwingen en om onkuisheden die hij overdenkt, uit te bannen. Hij bidt inniger, luistert aandachtiger en tracht zijn hart tot ontroering te brengen bij iedere godsdienstige plicht die hij vervult.
Zo gaat hij van zichzelf denken dat hij niet alleen een uitwendige, maar ook een inwendige christen is. U moet zich hier niet over verwonderen, want er zit hier niets in dat de kracht van de natuur te boven gaat, of wat men kan bereiken onder de krachtige invloed van het verbond der werken. Daarom wordt er een slag toegebracht, die nog dieper gaat. De wet legt de consciëntie van die mens ten laste, dat hij "een overtreder van den buik af is geweest, dat hij als een schuldig schepsel ter wereld is gekomen. De wet beschuldigt hem ervan dat hij in de tijd van zijn onwetendheid en zelfs sinds zijn ogen geopend werden, schuldig is geweest aan vele dadelijke zonden, die hij helemaal over het hoofd heeft gezien, of die hij niet voldoende betreurd heeft. Geestelijke zweren, die niet genezen zijn door het bloed van Christus, maar op een of andere wijze oppervlakkig geheeld zijn, raken immers gemakkelijk geïrriteerd en breken even spoedig weer open. En daarom grijpt de wet hem bij de keel en zegt: "Betaal mij wat gij schuldig zij t."

6. Dan zegt de zondaar in zijn hart: "Wees lankmoedig over mij, en ik zal U alles betalen." Zo gaat hij aan het werk om een beledigd God te verzoenen en om boete te doen voor zijn zonden. Hij vernieuwt zijn bekering, tenminste wat er voor door moet gaan. Hij verdraagt geduldig al de verdrukkingen die hij moet ondergaan, ja, hij kwelt zichzelf door zich het gebruik van zijn wettige geriefelijkheden te ontzeggen. Hij zucht zwaar, treurt bitterlijk en roept onder tranen om vergeving, totdat hij zichzelf zover heeft gebracht dat hij zich verbeeldt dat hij deze verkregen heeft. Zo heeft hij dus boete gedaan voor wat "tevoren geschied is" en heeft hij besloten een goede dienstknecht van God te zijn en om in de toekomst de Heere inwendig en uitwendig te blijven gehoorzamen. Maar de slag moet toch nog dichter bij het hart gebracht worden, voordat de rank eraf valt. De Heere laat hem in de spiegel van de wet zien hoe hij zondigt in alles wat hij doet, zelfs in het beste wat hij kan doen en daarom klinkt die vreselijke roep opnieuw in zijn oren: "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen" (Galaten 3:10). Toen gij vasttet en rouwklaagdet", zegt de Heere, "hebt gijlieden Mij, Mij enigszins gevast?" Zal modderig water schone kleren maken? Zult u voor één zonde voldoen met een andere zonde? Dwaalden uw gedachten niet af bij het doen van die of die plicht? Waren uw genegenheden niet mat bij een andere? Wierp uw hart geen zondige blik op die of die afgod? En rees er geen vlaag van ongeduld op in uw hart onder die of die verdrukking? "Zou Mij zulks aangenaam zijn van uw hand?... Ja, vervloekt zij de bedrieger, die... offert wat verdorven is" (Mal. 1:13,14). En zo wordt hij zover afgebroken, dat hij inziet, dat hij niet in staat is om te voldoen aan de eisen van de wet.

7. Daarom gaat hij, als een gebroken mens die ziet dat hij niet in staat is om al zijn schulden te betalen, een schikking maken met zijn schuldeiser. En omdat hij streeft naar rust en troost, doet hij wat hij kan om de wet te vervullen en wat betreft datgene waarin hij tekortschiet, daarvan verwacht hij dat God de wil voor de daad zal aannemen. Terwijl hij zo zijn best doet en het nog beter wil doen, gaat hij op een bedrieglijke wijze zichzelf wijsmaken dat zijn staat goed is. Hierdoor worden er duizenden verdorven. Maar de uitverkorenen krijgen een nieuwe slag, die hen in deze toestand hun houvast doet verliezen. De leer van de wet dringt zich aan hun consciëntie op, en ze toont hen aan dat nauwgezette en volkomen gehoorzaamheid aan de wet vereist is, op straffe van de vloek. Ze toont hen aan dat het doen van de wet, niet het wensen te doen, zal baten. Wensen het beter te doen, zal niet beantwoorden aan de eisen van de wet. En daarom klinkt de vloek weer: "Vervloekt is een iegelijk die niet blijft..., om dat te doen." Dat houdt in dat men dat daadwerkelijk moet doen. Het is tevergeefs om te wensen dat te doen.

8. Daar hij alle hoop om een schikking te treffen met de wet, heeft moeten opgeven, begint hij nu te lenen. Hij ontdekt dat alles wat hij kan doen om de wet te gehoorzamen en al zijn begeerten om beter te zijn en beter te doen, zijn ziel niet zal redden. Daarom wendt hij zich tot Christus, en smeekt Hem of Zijn gerechtigheid mag aanvullen wat er aan zijn eigen gerechtigheid ontbreekt, en of Hij al de gebreken van zijn doen en van wat hij moet ondergaan, wil bedekken. Hij smeekt of God hem zo om Christus" wil zou willen aannemen, en of hij daarop met Hem verzoend mag zijn. Terwijl hij zo bezig is om te doen wat hij kan om de wet te vervullen en van Christus verwacht dat Hij al zijn gebreken zal goedmaken, valt hij tenslotte met een gerust en veilig gevoel in slaap. Vele mensen storten zich op deze wijze in het verderf. Dit was de dwaling van de Galaten, die Paulus in zijn zendbrief aan hen, bestrijdt. Maar Gods Geest breekt de zondaar ook af van dit houvast door zijn consciëntie van die grote waarheid te doordringen: "Doch de wet is niet uit het geloof; maar de mens die deze dingen doet, zal door dezelve leven" (Galaten 3:12). Er is in deze zaak geen vermenging van de wet en van het geloof. De zondaar moet bij een van beide blijven en de ander loslaten. De weg der wet en de weg des geloofs zijn zozeer verschillend, dat het voor een zondaar niet mogelijk is op de één te wandelen, tenzij hij de andere verlaat. Als hij voor het "doen" kiest, dan moet hij het helemaal alleen doen. Christus zal geen gedeelte voor hem doen als hij niet alles doet. Een kleed dat samengesteld is uit allerlei soorten gerechtigheid, is geen kleed dat gepast is voor het hemelhof. Zo wordt de mens, die droomde en dacht dat hij at, wakker geschud door de slag en zie: zijn ziel is flauw. Zijn hart zinkt in hem als een steen, omdat hij bemerkt dat hij zijn last niet alleen kan dragen, en dat hij ook geen hulp kan krijgen.

9. Wat kan nu iemand doen, die wel moet betalen en toch geen geld genoeg van zichzelf heeft om zich uit de schuld te halen en ook niet zoveel kan lenen en die "zich schaamt om te bedelen?" Zeg eens, wat kan zo iemand anders doen dan "zichzelf verkopen", zoals de man onder de wet die verarmd was"? (Lev. 25:47). Daarom tracht de zondaar die van zoveel houvasten is afgeslagen, een overeenkomst met Christus te sluiten en, als ik het zo eens mag zeggen, zichzelf aan de Zoon van God te verkopen, terwijl hij plechtig belooft en verklaart dat hij een dienstknecht van Christus wil zijn zo lang als hij leeft, indien Hij zijn ziel wil redden.
En hier maakt de zondaar dikwijls een persoonlijk verbond met Christus en geeft zichzelf op deze voorwaarden aan Hem over. Ja, hij gebruikt zelfs het sacrament om de koop zeker te maken. Daarop is de grote zorg van die mens hoe hij Christus moet gehoorzamen, hoe hij Zijn geboden moet onderhouden om zo aan zijn overeenkomst te voldoen. En hierin vindt de ziel gedurende enige tijd een valse en ongezonde vrede, totdat de Geest des Heeren weer een slag toebrengt om de mens eveneens af te snijden van deze toevlucht der leugen.
En dat gebeurt op deze manier: wanneer hij er niet in slaagt om de plichten te vervullen die hij op zich genomen heeft en wanneer hij weer in de zonde valt waartegen hij een verbond had gemaakt, dan wordt de ziel er op krachtige wijze van doordrongen dat zijn verbond verbroken is. Zo verdwijnt al zijn troost en verschrikkingen maken zich opnieuw meester van zijn ziel, omdat hij iemand is die het verbond met Christus verbroken heeft. Gewoonlijk vernieuwt de mens het verbond om zich¬zelf te helpen, maar hij verbreekt het weer zoals daarvoor. En hoe is het mogelijk dat het anders zou zijn, aangezien hij nog steeds aan de oude stam vastzit? Zo is het werk van velen aangaande hun ziel heel hun leven niets anders dan het maken en verbreken van zulke verbonden, telkens en telkens weer.

Tegenwerping. Sommigen zullen misschien zeggen: Wie leeft er, die niet zondigt? Wie is er die niet tekortschiet in het vervullen van zijn plichten die hij op zich genomen heeft? Als u deze weg als ondeugdelijk afwijst, wie kan dan zalig worden?"
Antwoord. Ware gelovigen zullen behouden worden, namelijk allen die door het geloof Gods verbond aangrijpen. Maar dit soort verbond is een verbond van de mens zelf, een uitvinding van zijn eigen hart. Het is niet het verbond van God, dat bekendgemaakt wordt in het Evangelie van Zijn genade. En het maken ervan is niets anders dan het maken van een werkverbond met Christus, waarbij de wet en het Evangelie met elkaar verward worden. Het is een verbond dat Hij nooit zal onderschrijven, al zouden wij het ondertekenen met ons hartenbloed: Want indien degenen, die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, zo is het geloof ijdel gewor-den en de beloftenis tenietgedaan" (Romeinen 4:14). "Daarom is zij uit het geloof, opdat ze zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al den zade" (vers 16). "En indien het door genade is, zo is het niet meer uit de werken; anderszins is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zo is het geen genade meer; anderszins is het werk geen werk meer" (Romeinen 11:6). Gods verbond is eeuwig; eenmaal in het verbond, nooit meer eruit; en de weldadigheden zijn "gewisse weldadigheden" (Jesaja 55:3). Maar dat verbond van u is een wankelend verbond; het is nooit zeker, maar het wordt iedere dag verbroken. Het is enkel en alleen een slaafs verbond, waarbij Christus gediend wordt voor de zaligheid. Gods verbond is echter een kinderlijk verbond, waarin de zondaar Christus en Zijn zaligheid, die vrij wordt aangeboden, aanneemt, en zo "een zoon wordt": "Maar zovelen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven zonen Gods te worden" (Johannes 1:12; Engelse vertaling). Daar hij een zoon geworden is, dient hij zijn Vader, niet opdat de erfenis de zijne zou mogen worden, maar omdat ze de zijne is door Jezus Christus (zie Galaten 4:24 en verder). Het aangaan van dat valse verbond houdt in dat men van Christus koopt met geld, maar het aangrijpen van Gods verbond houdt in dan men van Hem koopt "zonder geld en zonder prijs" (Jesaja 55:1); dat wil zeggen dat men van Hem bedelt. In dat valse verbond werken de mensen voor hun leven, in Gods verbond komen zij tot Christus en werken zij vanuit het leven. Wanneer de mens onder dat valse verbond tekortschiet in het doen van zijn plicht, dan is alles verloren en moet het verbond opnieuw aangegaan worden. Maar al schiet de mens onder het verbond Gods tekort in het doen van zijn plicht; en al valt hij vanwege zijn tekortkomingen onder de tucht van het verbond; en al ligt hij onder het gewicht ervan tot het moment dat hij zijn toevlucht neemt tot het bloed van Christus om vergeving te verkrijgen en zijn bekering te vernieuwen, dan blijft toch alles waarop hij zich verliet voor zijn leven en zijn zaligheid, namelijk de gerechtigheid van Christus, geheel van kracht en blijft het verbond vast (zie Romeinen 7:24, 25 en 8:1).
Nu, al brengen sommige mensen hun leven door met het maken en verbreken van zulke verbonden die van henzelf zijn, dan wordt de schrik van het verbreken ervan langzamerhand steeds zwakker, totdat het tenslotte weinig of geen ongerustheid meer bezorgt. Toch ontdekt de mens in wie het goede werk zijn voortgang heeft tot het voltooid is met de afsnijding van de oude stam, dat deze verbonden gelijk zijn aan vergane touwen, die bij elke aanraking afbreken. Daar de verschrikking Gods daarop aan zijn ziel verdubbeld wordt, en de wateren telkens over zijn ziel gaan, is hij verplicht op te houden met het aangrijpen van zulke verbonden en met het zoeken van hulp op een andere wijze.

10. Daarop gaat de mens tenslotte aan Christus' deur om genade bedelen, maar toch is hij een trotse bedelaar, die op zijn persoonlijke waardigheid staat. Want zoals de Roomsen naast de ene en enige Middelaar, andere middelaars hebben om voor hen te pleiten, zo hebben de ranken van de oude stam altijd wel iets dat zij voor de dag kunnen halen, dat, naar zij denken, hen aan Christus kan aanbevelen en Hem ertoe kan bewegen Zich met hun zaak te belasten. Zij kunnen er niet aan denken naar de geestelijke markt te komen zonder geld in hun Handelingen Zij zijn als mensen die zelf eens in het bezit waren van een landgoed, maar die tot uiterste armoede zijn vervallen, en zijn gedwongen om te bedelen. Wanneer zij beginnen te bedelen, dan herinneren zij zich hun vroegere positie nog en hoewel zij hun vermogen zijn kwijtgeraakt, hebben zij toch veel van hun vroegere geestesgesteldheid behouden. Daarom kunnen zij zich niet voorstellen, dat zij als gewone bedelaars behoren behandeld te worden. Zij vinden dat zij een bijzondere achting verdienen en als deze hun niet wordt geschonken, dan komt hun geest in opstand tegen hem tot wie zij zich wenden om in hun noden te voorzien. Zo schenkt God de onvernederde zondaar vele algemene weldaden, en sluit hem niet op in de kuil overeenkomstig naar wat hij verdient. Maar dit alles is niets in zijn ogen. Hij moet aan de tafel van de kinderen gezet worden; anders acht hij zich hard en onrechtvaardig behandeld. Hij is immers nog niet zo diep vernederd dat hij denkt dat "God rechtvaardig is in Zijn spreken" tegen hem en "rein" is van alle ongerechtigheid in "Zijn richten" tegen hem vanwege zijn echte tekortkomingen (Psalm 51:6). Hij denkt misschien dat zelfs voordat hij verlicht werd, hij beter was dan vele anderen. Hij overweegt de verbetering van zijn leven, zijn berouw, de droefheid en de tranen die zijn zonde hem gekost hebben, zijn ernstige begeerten naar Christus, zijn gebeden en worstelingen om genade. Hij gebruikt deze nu allemaal als steekpenningen om genade te verkrijgen en hij hecht er geen klein gewicht aan bij zijn toenaderingen aan de troon der genade. Maar hier schiet de Geest des Heeren een bundel pijlen in het hart van de mens, waardoor zijn vertrouwen in deze dingen in de grond geboord wordt en vernietigd. In plaats dat hij zichzelf beter vindt dan velen, moet hij in gaan zien dat hij erger is dan wie ook. Hij ontdekt de waardeloosheid van zijn levensverbetering. In zijn ogen is zijn berouw niet beter dan het berouw van Judas. Zijn tranen zijn gelijk aan Ezaus tranen en zijn begeerten naar Christus schijnen hem egoïstisch en walgelijk toe, zoals die van hen die Christus zochten Vanwege de broden" (Johannes 6:26). Het antwoord dat hij van God ontvangt, schijnt nu te zijn: "Ga weg, trotse bedelaar; hoe zal Ik u onder de kinderen stellen?" Hij schijnt hem streng aan te zien, vanwege zijn versmading van Jezus Christus door ongeloof, wat een zonde is die hij daarvoor nauwelijks onderscheidde. Maar nu ziet hij deze tenslotte in haar karmozijnrode kleuren en zijn hart wordt als met duizend pijlen doorstoken, omdat hij ziet dat hij steeds maar blindelings is voortgegaan, terwijl hij zondigde tegen het geneesmiddel voor de zonde en in zijn gehele levenswandel het bloed van de Zoon van God vertrad. En nu is hij in zijn eigen ogen het ellendige voorwerp van de wraak van de wet, ja, zelfs ook van de wraak van het Evangelie.

11. De mens die zover vernederd is, zal niet meer pleiten dat "hij waardig is, dat Christus hem dat doet." Integendeel, hij acht zichzelf Christus niet waardig, en de gunst Gods niet waardig. Wij kunnen hem in deze toestand vergelijken met de jongeman die Christus volgde, "hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem. En hij het lijnwaad verlatende, is naakt van hen gevloden" (Markus 14:51,52). Zo was ook die mens Christus gevolgd in het dunne en koude kleed van zijn eigen persoonlijke waardigheid, maar hierdoor, zelfs hierdoor waarop hij zozeer vertrouwde, grijpt de wet hem vast om hem gevangen te nemen. Dan wil hij dat kleed graag achterlaten en vlucht hij naakt weg, maar toch niet tot Christus, maar bij Hem vandaan. Als u nu tot hem zegt, dat hij bij Christus welkom is, als hij naar Hem wil komen, dan is hij geneigd te zeggen: "Kan zulk een walgelijk en onwaardig, ellendig schepsel zoals ik, welkom zijn bij de heilige Jezus?" Als er een pleister werd gelegd op zijn gewonde ziel, dan zou deze niet vast willen hechten. Hij zegt: "Ga uit van mij, want ik ben een zondig mens" (Lukas 5:8).
Om hem te troosten hoeft niemand tegen hem over zijn bekering te spreken, want hij kan er gemakkelijk zulke gebreken in ontdekken dat die haar waardeloos maken. Men behoeft hem ook niet over zijn tranen te spreken, want hij is er zeker van dat ze nooit in "Gods fles" zijn gekomen. Hij redeneert zichzelf weg van Christus, en omdat hij zulk een verachter van Christus is geweest en zulk een onheilig en walgelijk schepsel, komt hij tot de conclusie dat hij niet tot Christus kan komen, niet wil komen en niet behoort te komen, en dat hij in een betere staat moet zijn, of anders nooit zal geloven.
Vandaar dat hij nu de krachtigste pogingen doet om datgene te verbeteren wat er daarvoor verkeerd was in zijn levenswijze. Hij bidt ernstiger dan ooit, hij weent bitterder, hij strijdt krachtiger tegen de zonde in zijn hart en zijn leven, en waakt vlijtiger, alsof het mogelijk zou zijn door enig middel tenslotte bekwaam te zijn om tot Christus te komen. Men zou denken, dat die mens nu voldoende vernederd is, maar helaas! Duivelse hoogmoed houdt zich schuil onder de sluier van al deze geveinsde nederigheid. Als een rank die uit de oude stam is voortgekomen, blijft ze er nog aan vastzitten en wil hij zich niet "onderwerpen aan de rechtvaardigheid Gods" (Romeinen 10:3). Hij wil niet "zonder geld" naar de markt van vrije genade komen. Hij is uitgenodigd voor de bruiloft van de Zoon des Konings, waar de Bruidegom al de gasten voorziet van bruiloftsklederen en hun eigen kleren uittrekt. Hij wil echter niet ko¬men, omdat het hem ontbreekt aan een bruiloftskleed, zij het dat hij zeer druk bezig is er een gereed te maken.
Dat is een droevig werk en daarom moet hij nog een slag krijgen die nog dieper gaat, anders is hij bedorven. Deze slag wordt hem toegebracht met de bijl van de wet in haar prikkelende kracht. Wanneer de wet de ziel zo omgordt met koorden des doods en haar zo beteugelt met de strenge geboden van gehoorzaamheid op straffe van de vloek en God zo in Zijn heilig en wijs beleid Zijn weerhoudende genade terugtrekt, dan wordt de verdorvenheid geprikkeld, de wellusten worden heftig en hoe meer hij ertegen strijdt, hoe meer ze woeden. Net zoals een wild paard dat in toom gehouden wordt met het bit. Dan beginnen verdorvenheden die hij nooit eerder in zichzelf opgemerkt heeft, de kop op te steken. Hier stijgen dikwijls atheïsme en godslastering op, kortom: afschuwelijke gedachten aangaande God, vreselijke gedachten aangaande het geloof stijgen op in zijn hart. Zodoende is zijn hart werkelijk een hel in zijn binnenste. Terwijl hij zo aan het vegen is in het huis van zijn hart, dat nog niet bevochtigd is met de genade van het Evangelie, vliegen deze verdorvenheden die daarvoor stil in verwaarloosde hoeken lagen, erin als stof omhoog en omlaag. Hij is als iemand die een dam aan het herstellen is. Terwijl hij bezig is de breuken te repareren en elk deel ervan te verstevigen, komt er een machtige vloed aan die zijn werk vernietigt. Die vloed drijft alles voor zich uit, zo-wel wat pas aangelegd is, als wat er tevoren was aangelegd (lees Romeinen 7:8-10 en 13). Dit is een slag die het hart raakt. En hierdoor wordt zijn hoop dat hij zichzelf bekwamer zal maken om tot Christus te komen, afgesneden.

12. Nu is de tijd gekomen dat de mens die dobbert tussen hoop en wanhoop, besluit om tot Christus te gaan, zoals hij is. En daarom, zoals een stervende man zich uitstrekt, juist voordat hij de laatste adem uitblaast, verzamelt hij de gebroken krachten van zijn ziel: hij tracht te geloven en op de een of andere manier grijpt hij Christus aan. En nu hangt de rank nog aan de oude stam met slechts één enkel draadje van een natuurlijk geloof, dat voortgebracht wordt door de natuurlijke kracht van iemands eigen geest, terwijl hij zich dringend genoopt ziet zich tot God te wenden: "Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg. En gedachten dat God hun Rotssteen was en God de Allerhoogste hun Verlosser" (Psalm 78:34, 35). "Dan zullen zij tot Mij roepen: Mijn God, wij, Israël kennen U" (Hoséa 8:2). Maar de Heere, Die er zorg voor draagt Zijn werk te voltooien, brengt nog een slag toe, waardoor de rank er helemaal afvalt. De Geest Gods ontdekt op overtuigende wijze de zondaar, dat hij totaal onbekwaam is om iets te doen dat goed is en dus "sterft" hij (Romeinen 7:9). Die stem klinkt krachtig door in zijn ziel: "Hoe kunt gij geloven?" (Johannes 5:44). U kunt evenmin geloven, als dat u met uw hand de hemel kunt bereiken en Christus vandaar kunt laten neerdalen. En zo bemerkt hij tenslotte dat hij zichzelf niet kan helpen door te werken en ook niet door te geloven. En omdat hij niets meer heeft waarmee hij zich aan de stam kan vastklemmen, valt hij er daarom af. En terwijl hij zo benauwd is, omdat hij denkt dat hij weggevoerd zal worden door de vloed van Gods toorn, en dat hij niet eens een hand zal kunnen uitsteken om een takje vast te grijpen van de Boom des levens, die groeit aan de oevers van de rivier, wordt hij opgenomen en ingeënt in de ware Wijnstok, de Heere Jezus Christus, Die hem de Geest des geloofs geeft.

Met wat er over deze hoofdgedachte is gezegd, is het niet mijn bedoeling om tere consciënties te kwellen of te bedroeven. Want hoewel er tegenwoordig slechts weinig zulke mensen met tere consciënties zijn, zo verhoede God het dat ik één van de kleinen van Christus zou ergeren. Maar helaas! Een doodse slaap is nu op dit geslacht gevallen. Zij willen niet wakker worden, al raken wij hen nog zo gevoelig. Daarom vrees ik dat dit geslacht waarop preken geen enkele vat hebben, een ander soort ontwaken wacht, wat een ieder die het hoort, de oren zal doen klinken. Ik wil echter niet dat dit beschouwd wordt als de methode waartoe de Heere Zich beperkt, wanneer Hij de zondaar afbreekt van de oude stam. Maar dit handhaaf ik als een zekere waarheid, dat allen die in Christus zijn, afgebroken zijn van al die verschillende dingen waarop zij hun vertrouwen stelden, en dal zij die er nooit van afgebroken werden, nog steeds in hun natuurlijke stam zijn. Niettemin, als het huis afgebroken is en het oude fundament is geslecht, dan komt dat op hetzelfde neer, of het nu steen voor steen werd afgebroken, of dal het ondergraven werd en alles tegelijk instortte.
Nu is de rank ingeënt in Jezus Christus, en zoals de wet in de hand van Gods Geest het werktuig was om de rank van de natuurlijke stam af te snijden, zo is het Evangelie in de hand van dezelfde Geest, het instrument om haar in te enten in de bovennatuurlijke stam, l Johannes 1:3: "Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze ge¬meenschap ook zij met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus" (zie Jesaja 61:1-3). Het Evangelie is het zilveren koord dat van de hemel is neergelaten om zondaars die op het punt staan om te komen, aan land te trekken. En hoewel de prediking van de wet de weg des Heeren voorbereidt, toch is het zo dat Christus en de zondaar elkaar ontmoeten in het Woord van het Evangelie. Nu, zoals bij de natuurlijke enting de rank wordt opgenomen en in de stam gezet en er één mee wordt als ze erin is gezet, waardoor ze met elkaar verenigd zijn, zo is het ook bij de geestelijke enting. Christus grijpt de zondaar, en de zondaar die door Christus gegrepen is, grijpt Hem, en zo worden zij één (Filipp. 3:12).
Plaats reactie