Long Reads

Bertiel
Berichten: 6139
Lid geworden op: 14 sep 2018, 08:49

Re: Long Reads

Bericht door Bertiel »

Dat ik me bij ds Kemp citaat afvroeg was of hij enkel de wederkerende daad als zaligmakend rekent?
Bij anderen zoals bijvoorbeeld de Erskines wordt de uitgaande daad als zaligmakend gerekend en de verdere versterking van dat geloof komt door de wederkerende daad
Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust mij ook niets op de aarde!
Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten, en mijn Deel in eeuwigheid.
KDD
Berichten: 2159
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Marijn_M schreef: 31 jul 2025, 21:09
KDD schreef: 26 jul 2025, 16:56 Onderwijs over rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie. Er zijn (niet onverwacht) aardig wat misverstanden hierover. En wie kan het eigenlijk recht verstaan behalve degenen die het ervaren hebben? En ook diegenen doen dat onvergetelijke ervaring meer bewonderen dan begrijpen.
Ds. L. Vroegindeweij schreef:
De bekendmaking der rechtvaardigmaking

(...)
Ik heb hier 3 vragen bij:

1. Als de vrijspraak van God in Christus buiten mij om heeft plaatsgevonden, waarom durf ik dan pas te geloven dat ik gerechtvaardigd ben, als ik het innerlijk heel sterk voel? Rust mijn zekerheid dan nog wel echt op Christus alleen — of toch op mijngevoel?
2. Is het niet riskant om de ‘kenmerken van een gerechtvaardigde’ als toetssteen te gebruiken voor geloofszekerheid?
3. HIerodor kan iemand in een soort geestelijk perfectionisme belanden, waarin hij de beleving van rechtvaardiging als maatstaf stel boven het eenvoudige vertrouwen op Christus alleen

Nou zie ik het, de vragen hebben eigenlijk met elkaar te maken.
Mischien iets voor onder een andere naam dan Long Reads?
De bekendmaking van dit vrijsprak kan natuurlijk niet gemist worden voor de zekerheid daarvan. En als dat plaats vindt dan blijven we niet onbewogen.
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

KDD schreef: 01 aug 2025, 22:28
Marijn_M schreef: 31 jul 2025, 21:09
KDD schreef: 26 jul 2025, 16:56 Onderwijs over rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie. Er zijn (niet onverwacht) aardig wat misverstanden hierover. En wie kan het eigenlijk recht verstaan behalve degenen die het ervaren hebben? En ook diegenen doen dat onvergetelijke ervaring meer bewonderen dan begrijpen.
Ds. L. Vroegindeweij schreef:
De bekendmaking der rechtvaardigmaking

(...)
Ik heb hier 3 vragen bij:

1. Als de vrijspraak van God in Christus buiten mij om heeft plaatsgevonden, waarom durf ik dan pas te geloven dat ik gerechtvaardigd ben, als ik het innerlijk heel sterk voel? Rust mijn zekerheid dan nog wel echt op Christus alleen — of toch op mijngevoel?
2. Is het niet riskant om de ‘kenmerken van een gerechtvaardigde’ als toetssteen te gebruiken voor geloofszekerheid?
3. HIerodor kan iemand in een soort geestelijk perfectionisme belanden, waarin hij de beleving van rechtvaardiging als maatstaf stel boven het eenvoudige vertrouwen op Christus alleen

Nou zie ik het, de vragen hebben eigenlijk met elkaar te maken.
Mischien iets voor onder een andere naam dan Long Reads?
De bekendmaking van dit vrijsprak kan natuurlijk niet gemist worden voor de zekerheid daarvan. En als dat plaats vindt dan blijven we niet onbewogen.
Ik zie dit terug in de Bijbel:

1. Komen – “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)
2. Geloven – “Ieder die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden” (Hand. 10:43)
3. Zekerheid – “Dit heb ik u geschreven… opdat u weet dat u eeuwig leven hebt” (1 Joh. 5:13)
4. Beleving/vrucht – “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God…” (Rom. 5:1)

Ik denk ook aan die man, die door het dak naar beneden werd gelaten. Mattheüs 9:2 lees je: "En zie, zij brachten tot Hem een verlamde, op een bed liggende; en Jezus, ziende hun geloof, zeide tot den verlamde: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven."

De verlamde reageert zelf niet met een apart verhaal of grote emotie in de tekst. Zijn zekerheid en troost komen door het woord van Jezus: “uw zonden zijn u vergeven.” De nadruk ligt niet op wat hij voelde, maar op wat hij hoorde en geloofde. Bedoel je dit met bekendmaking van vrijspraak?

Sorry, beetje verward verhaal van mijn kant.
KDD
Berichten: 2159
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Marijn_M schreef: 08 aug 2025, 16:39
KDD schreef: 01 aug 2025, 22:28
Marijn_M schreef: 31 jul 2025, 21:09
KDD schreef: 26 jul 2025, 16:56 Onderwijs over rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie. Er zijn (niet onverwacht) aardig wat misverstanden hierover. En wie kan het eigenlijk recht verstaan behalve degenen die het ervaren hebben? En ook diegenen doen dat onvergetelijke ervaring meer bewonderen dan begrijpen.

Ik heb hier 3 vragen bij:

1. Als de vrijspraak van God in Christus buiten mij om heeft plaatsgevonden, waarom durf ik dan pas te geloven dat ik gerechtvaardigd ben, als ik het innerlijk heel sterk voel? Rust mijn zekerheid dan nog wel echt op Christus alleen — of toch op mijngevoel?
2. Is het niet riskant om de ‘kenmerken van een gerechtvaardigde’ als toetssteen te gebruiken voor geloofszekerheid?
3. HIerodor kan iemand in een soort geestelijk perfectionisme belanden, waarin hij de beleving van rechtvaardiging als maatstaf stel boven het eenvoudige vertrouwen op Christus alleen

Nou zie ik het, de vragen hebben eigenlijk met elkaar te maken.
Mischien iets voor onder een andere naam dan Long Reads?
De bekendmaking van dit vrijsprak kan natuurlijk niet gemist worden voor de zekerheid daarvan. En als dat plaats vindt dan blijven we niet onbewogen.
Ik zie dit terug in de Bijbel:

1. Komen – “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)
2. Geloven – “Ieder die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden” (Hand. 10:43)
3. Zekerheid – “Dit heb ik u geschreven… opdat u weet dat u eeuwig leven hebt” (1 Joh. 5:13)
4. Beleving/vrucht – “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God…” (Rom. 5:1)

Ik denk ook aan die man, die door het dak naar beneden werd gelaten. Mattheüs 9:2 lees je: "En zie, zij brachten tot Hem een verlamde, op een bed liggende; en Jezus, ziende hun geloof, zeide tot den verlamde: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven."

De verlamde reageert zelf niet met een apart verhaal of grote emotie in de tekst. Zijn zekerheid en troost komen door het woord van Jezus: “uw zonden zijn u vergeven.” De nadruk ligt niet op wat hij voelde, maar op wat hij hoorde en geloofde. Bedoel je dit met bekendmaking van vrijspraak?

Sorry, beetje verward verhaal van mijn kant.
Ik begrijp de punt dat je wil maken niet zo goed. Je schijnt moiete te hebben met het gevoellen van wat ervaren wordt? Ik vindt de voorbeeld van de verlamde man een mooi voorbeeld. Als iemand wat voelde na wat er tegen hem gezegd was is die man wel. Hij kreeg notebene zijn kracht terug.
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

KDD schreef: 08 aug 2025, 23:00
Marijn_M schreef: 08 aug 2025, 16:39
KDD schreef: 01 aug 2025, 22:28
Marijn_M schreef: 31 jul 2025, 21:09
Ik heb hier 3 vragen bij:

1. Als de vrijspraak van God in Christus buiten mij om heeft plaatsgevonden, waarom durf ik dan pas te geloven dat ik gerechtvaardigd ben, als ik het innerlijk heel sterk voel? Rust mijn zekerheid dan nog wel echt op Christus alleen — of toch op mijngevoel?
2. Is het niet riskant om de ‘kenmerken van een gerechtvaardigde’ als toetssteen te gebruiken voor geloofszekerheid?
3. HIerodor kan iemand in een soort geestelijk perfectionisme belanden, waarin hij de beleving van rechtvaardiging als maatstaf stel boven het eenvoudige vertrouwen op Christus alleen

Nou zie ik het, de vragen hebben eigenlijk met elkaar te maken.
Mischien iets voor onder een andere naam dan Long Reads?
De bekendmaking van dit vrijsprak kan natuurlijk niet gemist worden voor de zekerheid daarvan. En als dat plaats vindt dan blijven we niet onbewogen.
Ik zie dit terug in de Bijbel:

1. Komen – “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)
2. Geloven – “Ieder die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden” (Hand. 10:43)
3. Zekerheid – “Dit heb ik u geschreven… opdat u weet dat u eeuwig leven hebt” (1 Joh. 5:13)
4. Beleving/vrucht – “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God…” (Rom. 5:1)

Ik denk ook aan die man, die door het dak naar beneden werd gelaten. Mattheüs 9:2 lees je: "En zie, zij brachten tot Hem een verlamde, op een bed liggende; en Jezus, ziende hun geloof, zeide tot den verlamde: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven."

De verlamde reageert zelf niet met een apart verhaal of grote emotie in de tekst. Zijn zekerheid en troost komen door het woord van Jezus: “uw zonden zijn u vergeven.” De nadruk ligt niet op wat hij voelde, maar op wat hij hoorde en geloofde. Bedoel je dit met bekendmaking van vrijspraak?

Sorry, beetje verward verhaal van mijn kant.
Ik begrijp de punt dat je wil maken niet zo goed. Je schijnt moiete te hebben met het gevoellen van wat ervaren wordt? Ik vindt de voorbeeld van de verlamde man een mooi voorbeeld. Als iemand wat voelde na wat er tegen hem gezegd was is die man wel. Hij kreeg notebene zijn kracht terug.
Mijn zorg is dat dit op een ‘tweede zegen’ gaat lijken.

Er staat in het stuk: "Later krijgen we van deze vrijspraak kennis. (…) Middellijk doet het de Geest, wanneer Hij de ziel verlicht in de kenmerken die God in Zijn Woord geeft van diegenen, die gerechtvaardigd zijn, en hun die in hun eigen ziel doet zien.” De vrijspraak is dus een feit, maar de bekendmaking aan ons hart komt via kenmerken of een bijzondere ervaring.

Vandaar mijn vragen bij dit stuk.

Over de verlamde man, die weer kon lopen... Juist dat lopen zie ik niet als een gevoel na de vergeving, maar als bewijs dat Jezus de Messias is en macht heeft om zonden te vergeven. Zijn woord ‘Uw zonden zijn u vergeven’ was genoeg voor zekerheid — dat is voor mij het punt wat ik wil maken.

Volgens mij zie je in de Bijbel nergens dat gelovigen eerst gerechtvaardigd zijn en pas later zekerheid krijgen. Dat idee vind je eerder bij groepen als de Amish, waar Christus niet voluit wordt aangeboden aan zondaren tot vergeving, maar de nadruk ligt op regels, kenmerken of werken. In de Bijbel is de zekerheid direct verbonden aan het geloof in Christus’ belofte. Denk aan de zondares in Lukas 7: Jezus zei direct: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ en ‘Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.’ Er was geen wachttijd of tweede ervaring — Zijn woord was genoeg."

Ik reageerde gewoon op het lange stuk tekst. Met al die namen erin. Comrie enz.
Gebruikersavatar
helma
Berichten: 19592
Lid geworden op: 11 sep 2006, 10:36
Locatie: Veenendaal

Re: Long Reads

Bericht door helma »

Bij veel Amish groepen is het hebben van zekerheid helemaal niet aan de orde.
Dit geldt vooral bij de Old Order Amish en de Schwarzentruber Amish. De Old Order Amish is de grootste groep onder de Amish People.

Onder andere te lezen in:
A Pocket Guide to Amish Life by Mindy Starns Clark

(Maar ook in diverse levensbeschrijvingen van Amish die onder de ban geplaatst werden toen ze beleden verlost te zijn door het verzoenende werk van Christus)

Feeling that it would be prideful to claim an assurance of that salvation, however, most Amish districts prefer that their members maintain what they call a “living hope” or a “continued effort” on the topic, trusting the ultimate fate of their soul to God’s providence rather than claiming it with certainty (p. 19).


Veel is te lezen op de website Mission to Amish People

KDD
Berichten: 2159
Lid geworden op: 17 okt 2020, 21:40

Re: Long Reads

Bericht door KDD »

Marijn_M schreef: 09 aug 2025, 15:55
KDD schreef: 08 aug 2025, 23:00
Marijn_M schreef: 08 aug 2025, 16:39
KDD schreef: 01 aug 2025, 22:28
De bekendmaking van dit vrijsprak kan natuurlijk niet gemist worden voor de zekerheid daarvan. En als dat plaats vindt dan blijven we niet onbewogen.
Ik zie dit terug in de Bijbel:

1. Komen – “Wie tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen” (Joh. 6:37)
2. Geloven – “Ieder die in Hem gelooft, ontvangt vergeving van zonden” (Hand. 10:43)
3. Zekerheid – “Dit heb ik u geschreven… opdat u weet dat u eeuwig leven hebt” (1 Joh. 5:13)
4. Beleving/vrucht – “Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede bij God…” (Rom. 5:1)

Ik denk ook aan die man, die door het dak naar beneden werd gelaten. Mattheüs 9:2 lees je: "En zie, zij brachten tot Hem een verlamde, op een bed liggende; en Jezus, ziende hun geloof, zeide tot den verlamde: Zoon! wees welgemoed; uw zonden zijn u vergeven."

De verlamde reageert zelf niet met een apart verhaal of grote emotie in de tekst. Zijn zekerheid en troost komen door het woord van Jezus: “uw zonden zijn u vergeven.” De nadruk ligt niet op wat hij voelde, maar op wat hij hoorde en geloofde. Bedoel je dit met bekendmaking van vrijspraak?

Sorry, beetje verward verhaal van mijn kant.
Ik begrijp de punt dat je wil maken niet zo goed. Je schijnt moiete te hebben met het gevoellen van wat ervaren wordt? Ik vindt de voorbeeld van de verlamde man een mooi voorbeeld. Als iemand wat voelde na wat er tegen hem gezegd was is die man wel. Hij kreeg notebene zijn kracht terug.
Mijn zorg is dat dit op een ‘tweede zegen’ gaat lijken.

Er staat in het stuk: "Later krijgen we van deze vrijspraak kennis. (…) Middellijk doet het de Geest, wanneer Hij de ziel verlicht in de kenmerken die God in Zijn Woord geeft van diegenen, die gerechtvaardigd zijn, en hun die in hun eigen ziel doet zien.” De vrijspraak is dus een feit, maar de bekendmaking aan ons hart komt via kenmerken of een bijzondere ervaring.

Vandaar mijn vragen bij dit stuk.

Over de verlamde man, die weer kon lopen... Juist dat lopen zie ik niet als een gevoel na de vergeving, maar als bewijs dat Jezus de Messias is en macht heeft om zonden te vergeven. Zijn woord ‘Uw zonden zijn u vergeven’ was genoeg voor zekerheid — dat is voor mij het punt wat ik wil maken.

Volgens mij zie je in de Bijbel nergens dat gelovigen eerst gerechtvaardigd zijn en pas later zekerheid krijgen. Dat idee vind je eerder bij groepen als de Amish, waar Christus niet voluit wordt aangeboden aan zondaren tot vergeving, maar de nadruk ligt op regels, kenmerken of werken. In de Bijbel is de zekerheid direct verbonden aan het geloof in Christus’ belofte. Denk aan de zondares in Lukas 7: Jezus zei direct: ‘Uw zonden zijn u vergeven’ en ‘Uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.’ Er was geen wachttijd of tweede ervaring — Zijn woord was genoeg."

Ik reageerde gewoon op het lange stuk tekst. Met al die namen erin. Comrie enz.
- Ik denk dat wat door sommigen als de 'tweede zegen' gezien wordt is eigenlijk de 'eerste zegen'.

- Je ziet dat gelovigen wel eerst gerechtvaardigd zijn en pas later zekerheid krijgen in de bekering van Paulus.

- Het is zeker waar dat in de Bijbel de zekerheid is direct verbonden aan het geloof in Christus’ belofte. Maar dat belofte moet onderwerpelijk toegepast worden zoals bij de zondares die jij aanhaalde. Ik denk dat hier de meningsverschil te vinden is - wanneer hebben we een belofte ontvangen? Is dat door een blind vertrouwen of is dat door een gegeven geloof?


Ds. Alexander Comrie leert geen 'tweede zegen'.
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

@KDD

Ik denk dat we het over de kern wel eens zijn hoor: echt geloof in Jezus Zelf geeft zekerheid. Het verschil zit vooral in wanneer die zekerheid er is en hoe je dat moment noemt. Jij ziet meer een volgorde bij Paulus’ bekering, en ik zie daarin juist dat geloof en zekerheid tegelijk komen. Bij zowel de vrouw in Lukas 7 als bij Paulus geloof ik dat ze het meteen zekerheid en verwondering erover hadden. Bij Paulus gebeurde dat toen hij zich liet dopen en zijn zonden werden afgewassen terwijl hij de Naam van de HEERE voor het eerst aanriep, op aansporing van Ananias.

Bijbel: "En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden, die daar woonden, kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende! En ter zelfder ure werd ik ziende op hem. En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u te voren verordineerd, om Zijn wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen, en uw zonden afwassen, aanroepende den Naam des Heeren."

In het Hebreeuwse denken is dat aanroepen meteen verbonden aan de de vergeving zelf (Joël 2:32). Er is dus geen scheiding tussen geloven en de zekerheid dat de zonden vergeven zijn — ze vallen in hetzelfde moment. De zekerheid ligt in de betrouwbaarheid van de HEERE Zelf. Dat het waar is wat Hij zegt. Door Jezus' Naam aan te roepen bij zijn doop, beleed Paulus ook nog eens dat Jezus de Messias was. Dat was theologisch enorm groot voor een Farizeeë: hij erkende dat de belofte uit Joël in Jezus vervuld is.

Heel verhaal. Maar in de kern zijn we het wel eens?
-DIA-
Berichten: 34042
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

Als we deze woorden van vroeger nu eens zouden wegen in de tijd waarin we nu samen terecht zijn gekomen. Zouden we dan nog schrikken? Of misschien als verhard niet meer merken? Wat in onderstaande is getekend dat zal zeker in veel gevallen werkelijkheid zijn. We kunnen het ook wel merken, dat we moeten zeggen: het is waar, we zijn ver weg gedwaald. Maar we blijven die we zijn. Wat is er een almachtige trekking nodig om onze paden te verlaten en weer te keren tot de oude paden: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor ziel; maar zij zeggen (Jeruzalem van toen): Wij zullen daarin niet wandelen.

Allerlei moeilijkheden
Er komen gedurig vragen uit onze eigen gemeenten, doch ook van leden, die tot andere gemeenten behoren, buiten ons kerkverband. Het ligt niet in mijn bedoeling om in het publiek verschillende van die vragen te gaan beantwoorden, daar het veelal gaat over persoonlijke aangelegenheden of familieomstandigheden. De betrokken personen zouden dat ook niet begeren en stellen er prijs op, dat de correspondentie vertrouwelijk blijft. Nu, dat is ook te begrijpen.

Toch zou ik ook in het belang van anderen naar aanleiding van een schrijven gaarne enige opmerkingen maken. Misschien wil de Heere het gebruiken tot waarschuwing voor anderen en ook om niet lichtvaardig te handelen met de waarheid en met onze onsterfelijke ziel, die voor een eeuwigheid geschapen is. Het is inderdaad niet hetzelfde hoe wij door de wereld gaan en komen, maar de grootste betekenis van ons leven is: Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God verschijnen? Het leven hier op de aarde is maar een doortrek naar de eeuwigheid en een tijd om voor- en toebereid te worden om God te mogen ontmoeten.

Vooral de eerste jaren van ons verblijf in dit grote werelddeel hebben wij gedurig kennis gemaakt met mensen, die uit het oude vaderland hier heen waren gekomen om zich hier te vestigen met hun familie. Vaak heb ik hun toegewenst, dat zij toch hier niet gekomen mochten zijn om zichzelf te begraven en dat ze begraven zouden worden.

Een mens ligt overal voor open en moet van ogenblik tot ogenblik bewaard worden door Gods beschermende hand. Ook vooral wanneer wij in een vreemd land komen.

Velen zijn op plaatsen gekomen waar geen waarheid was, d.w.z. dat er geen kerken waren waar zij dezelfde leer konden horen waarin zij waren opgevoed en wat hun altijd was voorgehouden. Sommigen hebben het intijds mogen inzien en hebben alles in het werk gesteld om op een plaats te komen waar zij geregeld met hun kinderen konden opgaan onder het zuivere Woord van God. Ook zijn er geweest waar de Heere zo goed voor was dat alles in de vlammen opging of dat ze bedankt werden en gedrongen werden om naar een plaats te gaan waar zij hetzelfde mochten horen wat zij altijd gehoord hadden.

Weer anderen hadden zo goed hun brood en zulk een goede betrekking en om hun brood zo maar weg te gooien, dat was ook, dachten ze, onverantwoordelijk. Ze moesten in de week dan wel 80 of 100 mijl rijden om naar de kerk te komen, maar dan 's zondags zouden ze maar thuis blijven. Zij besloten om een preek te lezen. Ze konden dan zelf wel kerk houden. Wat een goede voornemens!

De eerste zondag en zondagen ging het er stichtelijk naar toe. De vader had vrijdags of zaterdags zijn preken al klaar; de kinderen waren allemaal op tijd uit bed, alles was gereed en klaar, de kerk begon, 's Middags weer lezen, 's avonds nog een kort preekje. Ja, zo kon dat wel; in de week een goede boer en 's zondags een preek lezen. Vanuit de 'States' zijn er honderden en dan ook honderden oude schrijvers overgebracht, dus de mensen waren van alle kanten voorzien met goede boeken. Sommigen hebben naar die boeken gegrepen als naar brood, doch ik vrees dat velen er niet meer naar kijken. Doch in die eerste tijd! Ze konden nu zelf wel kerk houden. Dit was ideaal!

Maar op een zaterdagavond zijn de jongens zo laat thuis gekomen. Men is de gehele week zo druk geweest, daar zit die vader en die moeder met een paar kleine kinderen een preek te lezen. Anders hielden die grote kinderen de kleinen stil, maar nu is het een geschreeuw, dat ze de toepassing maar niet meer zullen lezen. De grote jongens liggen in bed en eindelijk tegen de middag komen ze beneden Eindelijk wordt besloten om 's morgens maar niet meer te lezen. 's Middags zal het dan ook veel beter wezen. Dan zijn ze beter uitgerust, dan kunnen zij beter luisteren en voor alles is het beter. De gehele week hard gesloofd, en als je dan 's zondags jezelf nog zo inspannen moet, dat zal de Heere toch ook niet van een mens eisen.

Op den duur wordt het 's avonds ook moeilijk. Die ene jongen krijgt kennis met een meisje, die tot een andere kerk behoort. en dat oudste meisje krijgt ook al verkering met een jongen, die niet naar een oude schrijver kan luisteren. Hij weet heel niet waar het over gaat. Och ja, die jongen kan het toch ook niet helpen, dat hij nooit naar de kerk ging, en dat meisje kan toch ook niet ongetrouwd blijven, dus we moeten maar wat water in de wijn doen. Het kan later nog wel goed uitkomen. Wij zullen het beste er maar van hopen. Het zijn geen kinderen meer, dus je moet het maar overgeven. Dus die jongen en dat meisje blijven ook niet meer thuis. Zij gaan mee naar die andere kerken. De ouders informeren zeer ernstig of het toch wel de zuivere, de oude waarheid is waar ze nu onder zitten. Och ja, het is wel wat anders, het is wel niet zo zwaar, maar ja, je bent ook in een ander land en je moet jezelf toch maar aan zien te passen. Ze bewegen later de ouders om maar te stoppen met dat preeklezen en ook mee te gaan. Ze zitten de eerste zondag als een kat in een vreemd pakhuis. Och, wat is het toch alles anders. Ze luisteren en luisteren, maar die oude klanken horen ze niet. Och, och, als mijn vader en mijn moeder het toch eens wisten waar wij nu terecht zijn gekomen, ze zouden wel zeggen: Kind, kind, is dat nu de vrucht van onze opvoeding? Zij kunnen er 's nachts niet van slapen. O, die consciëntie maakt het hun zo moeilijk. Ze hebben geen rust. Wat zijn wij toch begonnen? De boot waar ze mee over de oceaan gekomen zijn, is achter hen verbrand, dus terug gaat ook niet meer. Het is toch zo anders wat zij nu horen. Zij hebben hun gehele leven lang gehoord, dat een mens tot God bekeerd moet worden. Dat er een wonder geschieden moet, en zie, nu horen ze, dat ze ook bekeerd zijn. Ze mogen ook wel aan het Avondmaal komen, als zij maar aansluiten en lid worden.

Die dominee bezoekt ze ook eens en hij probeert die mensen te overreden om te geloven. Ze zijn eigenlijk verkeerd opgevoed. Die leer waar ze altijd onder opgegaan hebben, drukte de mens te veel in de put. Het Evangelie kwam niet genoeg tot zijn recht. De Bijbel is vol met beloften en God meent het zo ernstig met een mens. God wil, dat wij geloven zullen, en ongeloof is toch zulk een verschrikkelijke zonde. Er moet, zo zegt die dominee, met een mens niet zoveel gebeuren, als hij God maar op Zijn Woord gelooft.

Die man gaat aan het wankelen; die vrouw kan het alles nog zo maar niet overnemen. Neen, het gaat niet zo gemakkelijk. Zij kan het nog niet zien, dat er eigenlijk geen verschil is tussen de leer. Die leraar waar ze vroeger altijd onder zat, bij wie ze ter catechisatie ging, praatte toch zo geheel anders. Die leraar leeft niet meer, d.w.z. hier op de aarde. Hij is verlost. God heeft hem welgedaan. Zijn stem klinkt nog gedurig in haar oren. Neen, het is niet zo gemakkelijk om alles van vroeger te vergeten. En het is niet alleen die leraar, of die ouderling, maar zij heeft ook verschillenden van Gods volk horen spreken en bidden. Die mensen kwamen altijd maar met de noodzakelijkheid der waarachtige bekering, en dat er een genadewonder verheerlijkt moest worden in de mens. Wat een moeilijk leven. Maar eindelijk is die vrouw ook maar besloten om met haar man mee te gaan en aansluiting te zoeken bij die andere kerk. Als je toch getrouwd bent, moet je niet kerkelijk gescheiden leven, dat brengt vaak zo veel ellende teweeg. En dan met de opvoeding van de kinderen is het ook nodig, dat wij één lijn trekken.

De zaak is beslist. Die man voelt zich al spoedig thuis in die andere kerk en stapt ook al naar het Avondmaal. Die vrouw blijft nog zitten - neen, dat kan ze niet doen, daar is ze niet gerechtigd toe. Mensen van die kerk bezoeken haar; de dominee komt nog eens praten - hij komt nog eens terug, en ja, dan eindelijk gaat ze ook zachtjes aan geloven, dat ze ook bekeerd is.

Er is wel niets bijzonders gebeurd, maar, dat hoort ze nu elke zondag, dat is ook niet nodig voor een mens, die nooit in de wereld geleefd heeft. Ze is toch onder de waarheid groot geworden; zij i's er onder gebleven; zij heeft er toch liefde voor - en zie, dat zijn allemaal bewijzen, dat zij het geestelijk leven deelachtig moet zijn. Ze kan niet van een verandering spreken, ze kan niet veel zeggen, maar zij heeft toch ook wel begeerte om voor God te leven, en als ze sterft wil ze toch ook naar de hemel. Nu, het is alles in orde.

Zo zijn nu beiden „christen" geworden en ze gaan nu toch ook geloven, dat hun ouders en grootouders het veel te zwaar genomen hebben. Hun vader zei: „Het zal er toch zo op aankomen". En die moeder zat meest maar te schreeuwen. O, wat een gedrukt leven.

Dat och en ach horen ze nu niet meer. En zij geloven ook, dat het wel anders kan, en toch ook goed is. Zij hebben nu ook een opgewekt leven. De oude schrijvers staan nog wel in de kast, maar lezen doen ze er niet meer in. De enige keer, dat ze er uitkomen, is als het „schoonmaak" is. Ja, dat wordt toch eindelijk ook een last. In de States is er misschien geen mens meer, die dat Hollands kan lezen; het is allemaal Engels en hier kunnen wij dat Hollands ook niet meer vasthouden. Wij zijn in een Engels land, in de school is het Engels, in het dagelijks leven Engels, in de kerken komt het Hollands ook op de achtergrond. We moeten met de tijd mee. Ze kunnen de oude schrijvers ook wel naar een museum brengen. Het is nu nog een witte raaf, die blij is met een oude schrijver. En in Canada is het ook zo druk, wij moeten hard werken om ons huis vrij te krijgen, en om straks zelf wat te kunnen beginnen, dus van lezen komt er niets meer. Ja, nog één of twee van die stugge, onbuigzame Hollandse mensen zitten er op dat dorp, die geen mens overhalen kan. Die zitten nog in die oude boeken te lezen. Wij moesten maar vragen of die „stakkers" ze willen hebben. O ja, die 'tobbers' zijn er zo blij mee. Nu, bij ons is het een opruiming. Die oude boekenkast moet nu maar verbrand.
Maar nu is dat toch een lege plaats in ons huis. Wat zullen wij nu doen? Het is een mooie plaats voor een televisie. De eerste tijd leefden ze maar alleen, maar nu hebben ze zoveel vrienden gekregen. En die vrienden delen ook het standpunt, dat wij het niet zo nauw moeten nemen. Een christen moet en kan niet leven als een kluizenaar. Wij leven in andere tijden dan vroeger. Ik vroeg eens aan een man, die beleed een kind Gods te zijn en die ook televisie in huis had, wat hij met zulk een kijkkast van de duivel (zo noemde wijlen professor Wisse de televisie) in huis deed. En toen was zijn antwoord: dat is de oude mens, die daar naar kijkt.

Die televisie is toch zulk een wonderlijke uitvinding. We moesten er ook maar één kopen, dan blijven de kinderen ook thuis. De ouders zullen wel zorgen, dat er 'controle' blijft: al dat moorden en stelen en al wat godslasterlijk is en het zedelijk leven schaadt, mag er absoluut niet doorkomen. Dat is zo voor de eerste weken, maar het duurt niet lang, en dan is er geen „controle" meer.

Och, een mens moest wel beven en sidderen. Vroeger was er nog een weinig beslag, maar het gaat alles weg. De wereld in huis en God er uit. God laat niet met zich spotten. De consciëntie spreekt niet meer. Wij kunnen alles doen en de arme mens beseft niet, dat dat het zwaarste oordeel is. „Snelle afloop als der wateren". Geijverd en gevochten voor de oude waarheid, en nu praktisch alles verloochend, de wereld in hun huis gehaald, omdat de wereld nooit uit hun hart geweest is.

Ja, het is maar een nauw onderzoek voor een ieder. Keur wel de zonde af, maar werp met geen stenen. Ik las eens van een oude leraar uit het begin van de zestiende eeuw, die schreef: Ik ben al oud, maar weet nog niet wat er nog kan gebeuren voordat ik aan het eind van mijn leven ben. En zegt ook de waarheid het ons niet: Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle!

Wij moeten maar niet zo hoog van de toren blazen. Al die mensen, die dat doen, verraden daardoor weinig zelfkennis te hebben. Hoe meer Gods Geest ons zal verlichten en wij de diepte van onze val leren kennen en de bedrieglijkheid van ons hart, hoe meer wij bevreesd zullen zijn voor onszelf. Wij weten niet van hoedanige geest wij zijn. Het is niet genoeg voor de eeuwigheid, dat weten wij wel, doch het is ook zelfs uitwendig nog een weldaad, wanneer een mens onder de waarheid geboren, bij de waarheid blijven mag. Ik mag wel terdege die laatste woorden onderstrepen en er de nadruk op leggen: blijven mag.

Dat zijn we ook niet waardig en dat hebben wij ook niet verdiend. Als de Heere er ons onder houdt, zouden wij wel moeten zeggen: Heere, waarom is het, dat ik er ook niet vandaan loop?

Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes en Demas kreeg de tegenwoordige wereld lief. De mens snijdt zichzelf af en gaat moedwillig verloren. O jongens en meisjes, blijft bij de waarheid. Geeft het nooit prijs. De Heere mocht het nog eens aan je hart heiligen tot waarachtige bekering. Je leeft nog. Het kan nog.

Hoevelen hebben wij al weg zien vallen in ons leven! Ja, sommigen zelfs, die eenmaal in hun leven voor de waarheid geijverd, ja er voor gestreden hebben, die, zo scheen het, er alles voor over hadden. Wanneer ik sommige brieven zou publiceren, geschreven door zulke personen in die tijd toen ze vol ijver en vuur waren, dan zoudt ge zeggen: hoe is het mogelijk, dat er zulk een omkeer kan komen! Nu verwerpen zij wat zij vroeger hebben beleden; nu haten zij hetgeen ze vroeger achteraan liepen en waar zij alles voor wilden opofferen. Er was een tijd, dat de kerk voor die mensen alles was, en nu geven zij er een trap tegen; alles wordt afgescheurd en afgekapt wat tevoren ook voor hen als heilig aangemerkt werd. Men drijft de spot met de leer van vader en moeder; en zij openbaren vaak nog meer vijandschap tegen dat alles dan een openbare werelddienaar. O, het is zo gevaarlijk om zo te handelen. De Heere zegt in Zijn Woord: Een man, die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij, Spr. 29 : 1. Werkelijk, een mens mag er wel van beven en sidderen en zuchten: Heere, bewaar mij toch, o alvermogend God; laat het toch nooit zo ver komen, dat ik de waarheid vaarwel zeg, en een leer ga volgen en geloven, waar ik voor eeuwig mee omkomen zal. De zonde is een hellend vlak. En wanneer wij ons afscheiden van de zuivere leer der waarheid, dan gaan wij aan het dwalen en het gaat bij de meesten van kwaad tot erger. Er zijn zelfs voorbeelden van mensen, die op den duur alles gaan verloochenen en als heidenen sterven. Het grootste en het zwaarste oordeel, dat God over een mens kan zenden, is dat God hem niet meer aanspreekt en dat hij zijn eigen weg kan gaan. Schijnbaar is dat wel makkelijk, maar uiteindelijk is het een verschrikkelijke zaak.

De grote massa gaat door in de verharding, hetzij in een eigenwillige godsdienst of in openbare goddeloosheid. Velen verdwalen en komen nooit meer terecht. Ik heb ook hier in dit grote land wel eens mensen ontmoet, die zeiden: diezelfde klanken hebben wij gehoord veertig en vijftig jaar geleden, van mijn moeder, of van mijn vader - maar zo ver weg, dat zij toch geloofden dat het in een andere weg ook wel kon.

Elk zalig in zijn eigen godsdienst. O, wat zal die dag der eeuwigheid toch openbaren. Daar zal wening zijn en knersing der tanden. Alles komt terug. Gelukkige zielen waar het hier in dit leven voor terugkomt, en dat het beleefd mag worden tot Gods eer en hunner ziele zaligheid, Ps. 25 : 4:
God is waarachtig en goedig,
Hij is 't en blijft zulks altijd;
Ten wege brengt Hij zachtmoedig
De zondaar vervallen wijt.


Ds. W.C. Lamain
Uit: De Saambinder november/december 1969
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

-DIA- schreef: 23 aug 2025, 11:17 Als we deze woorden van vroeger nu eens zouden wegen in de tijd waarin we nu samen terecht zijn gekomen. Zouden we dan nog schrikken? Of misschien als verhard niet meer merken? Wat in onderstaande is getekend dat zal zeker in veel gevallen werkelijkheid zijn. We kunnen het ook wel merken, dat we moeten zeggen: het is waar, we zijn ver weg gedwaald. Maar we blijven die we zijn. Wat is er een almachtige trekking nodig om onze paden te verlaten en weer te keren tot de oude paden: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor ziel; maar zij zeggen (Jeruzalem van toen): Wij zullen daarin niet wandelen.

Allerlei moeilijkheden
Er komen gedurig vragen uit onze eigen gemeenten, doch ook van leden, die tot andere gemeenten behoren, buiten ons kerkverband. Het ligt niet in mijn bedoeling om in het publiek verschillende van die vragen te gaan beantwoorden, daar het veelal gaat over persoonlijke aangelegenheden of familieomstandigheden. De betrokken personen zouden dat ook niet begeren en stellen er prijs op, dat de correspondentie vertrouwelijk blijft. Nu, dat is ook te begrijpen.

Toch zou ik ook in het belang van anderen naar aanleiding van een schrijven gaarne enige opmerkingen maken. Misschien wil de Heere het gebruiken tot waarschuwing voor anderen en ook om niet lichtvaardig te handelen met de waarheid en met onze onsterfelijke ziel, die voor een eeuwigheid geschapen is. Het is inderdaad niet hetzelfde hoe wij door de wereld gaan en komen, maar de grootste betekenis van ons leven is: Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God verschijnen? Het leven hier op de aarde is maar een doortrek naar de eeuwigheid en een tijd om voor- en toebereid te worden om God te mogen ontmoeten.

Vooral de eerste jaren van ons verblijf in dit grote werelddeel hebben wij gedurig kennis gemaakt met mensen, die uit het oude vaderland hier heen waren gekomen om zich hier te vestigen met hun familie. Vaak heb ik hun toegewenst, dat zij toch hier niet gekomen mochten zijn om zichzelf te begraven en dat ze begraven zouden worden.

Een mens ligt overal voor open en moet van ogenblik tot ogenblik bewaard worden door Gods beschermende hand. Ook vooral wanneer wij in een vreemd land komen.

Velen zijn op plaatsen gekomen waar geen waarheid was, d.w.z. dat er geen kerken waren waar zij dezelfde leer konden horen waarin zij waren opgevoed en wat hun altijd was voorgehouden. Sommigen hebben het intijds mogen inzien en hebben alles in het werk gesteld om op een plaats te komen waar zij geregeld met hun kinderen konden opgaan onder het zuivere Woord van God. Ook zijn er geweest waar de Heere zo goed voor was dat alles in de vlammen opging of dat ze bedankt werden en gedrongen werden om naar een plaats te gaan waar zij hetzelfde mochten horen wat zij altijd gehoord hadden.

Weer anderen hadden zo goed hun brood en zulk een goede betrekking en om hun brood zo maar weg te gooien, dat was ook, dachten ze, onverantwoordelijk. Ze moesten in de week dan wel 80 of 100 mijl rijden om naar de kerk te komen, maar dan 's zondags zouden ze maar thuis blijven. Zij besloten om een preek te lezen. Ze konden dan zelf wel kerk houden. Wat een goede voornemens!

De eerste zondag en zondagen ging het er stichtelijk naar toe. De vader had vrijdags of zaterdags zijn preken al klaar; de kinderen waren allemaal op tijd uit bed, alles was gereed en klaar, de kerk begon, 's Middags weer lezen, 's avonds nog een kort preekje. Ja, zo kon dat wel; in de week een goede boer en 's zondags een preek lezen. Vanuit de 'States' zijn er honderden en dan ook honderden oude schrijvers overgebracht, dus de mensen waren van alle kanten voorzien met goede boeken. Sommigen hebben naar die boeken gegrepen als naar brood, doch ik vrees dat velen er niet meer naar kijken. Doch in die eerste tijd! Ze konden nu zelf wel kerk houden. Dit was ideaal!

Maar op een zaterdagavond zijn de jongens zo laat thuis gekomen. Men is de gehele week zo druk geweest, daar zit die vader en die moeder met een paar kleine kinderen een preek te lezen. Anders hielden die grote kinderen de kleinen stil, maar nu is het een geschreeuw, dat ze de toepassing maar niet meer zullen lezen. De grote jongens liggen in bed en eindelijk tegen de middag komen ze beneden Eindelijk wordt besloten om 's morgens maar niet meer te lezen. 's Middags zal het dan ook veel beter wezen. Dan zijn ze beter uitgerust, dan kunnen zij beter luisteren en voor alles is het beter. De gehele week hard gesloofd, en als je dan 's zondags jezelf nog zo inspannen moet, dat zal de Heere toch ook niet van een mens eisen.

Op den duur wordt het 's avonds ook moeilijk. Die ene jongen krijgt kennis met een meisje, die tot een andere kerk behoort. en dat oudste meisje krijgt ook al verkering met een jongen, die niet naar een oude schrijver kan luisteren. Hij weet heel niet waar het over gaat. Och ja, die jongen kan het toch ook niet helpen, dat hij nooit naar de kerk ging, en dat meisje kan toch ook niet ongetrouwd blijven, dus we moeten maar wat water in de wijn doen. Het kan later nog wel goed uitkomen. Wij zullen het beste er maar van hopen. Het zijn geen kinderen meer, dus je moet het maar overgeven. Dus die jongen en dat meisje blijven ook niet meer thuis. Zij gaan mee naar die andere kerken. De ouders informeren zeer ernstig of het toch wel de zuivere, de oude waarheid is waar ze nu onder zitten. Och ja, het is wel wat anders, het is wel niet zo zwaar, maar ja, je bent ook in een ander land en je moet jezelf toch maar aan zien te passen. Ze bewegen later de ouders om maar te stoppen met dat preeklezen en ook mee te gaan. Ze zitten de eerste zondag als een kat in een vreemd pakhuis. Och, wat is het toch alles anders. Ze luisteren en luisteren, maar die oude klanken horen ze niet. Och, och, als mijn vader en mijn moeder het toch eens wisten waar wij nu terecht zijn gekomen, ze zouden wel zeggen: Kind, kind, is dat nu de vrucht van onze opvoeding? Zij kunnen er 's nachts niet van slapen. O, die consciëntie maakt het hun zo moeilijk. Ze hebben geen rust. Wat zijn wij toch begonnen? De boot waar ze mee over de oceaan gekomen zijn, is achter hen verbrand, dus terug gaat ook niet meer. Het is toch zo anders wat zij nu horen. Zij hebben hun gehele leven lang gehoord, dat een mens tot God bekeerd moet worden. Dat er een wonder geschieden moet, en zie, nu horen ze, dat ze ook bekeerd zijn. Ze mogen ook wel aan het Avondmaal komen, als zij maar aansluiten en lid worden.

Die dominee bezoekt ze ook eens en hij probeert die mensen te overreden om te geloven. Ze zijn eigenlijk verkeerd opgevoed. Die leer waar ze altijd onder opgegaan hebben, drukte de mens te veel in de put. Het Evangelie kwam niet genoeg tot zijn recht. De Bijbel is vol met beloften en God meent het zo ernstig met een mens. God wil, dat wij geloven zullen, en ongeloof is toch zulk een verschrikkelijke zonde. Er moet, zo zegt die dominee, met een mens niet zoveel gebeuren, als hij God maar op Zijn Woord gelooft.

Die man gaat aan het wankelen; die vrouw kan het alles nog zo maar niet overnemen. Neen, het gaat niet zo gemakkelijk. Zij kan het nog niet zien, dat er eigenlijk geen verschil is tussen de leer. Die leraar waar ze vroeger altijd onder zat, bij wie ze ter catechisatie ging, praatte toch zo geheel anders. Die leraar leeft niet meer, d.w.z. hier op de aarde. Hij is verlost. God heeft hem welgedaan. Zijn stem klinkt nog gedurig in haar oren. Neen, het is niet zo gemakkelijk om alles van vroeger te vergeten. En het is niet alleen die leraar, of die ouderling, maar zij heeft ook verschillenden van Gods volk horen spreken en bidden. Die mensen kwamen altijd maar met de noodzakelijkheid der waarachtige bekering, en dat er een genadewonder verheerlijkt moest worden in de mens. Wat een moeilijk leven. Maar eindelijk is die vrouw ook maar besloten om met haar man mee te gaan en aansluiting te zoeken bij die andere kerk. Als je toch getrouwd bent, moet je niet kerkelijk gescheiden leven, dat brengt vaak zo veel ellende teweeg. En dan met de opvoeding van de kinderen is het ook nodig, dat wij één lijn trekken.

De zaak is beslist. Die man voelt zich al spoedig thuis in die andere kerk en stapt ook al naar het Avondmaal. Die vrouw blijft nog zitten - neen, dat kan ze niet doen, daar is ze niet gerechtigd toe. Mensen van die kerk bezoeken haar; de dominee komt nog eens praten - hij komt nog eens terug, en ja, dan eindelijk gaat ze ook zachtjes aan geloven, dat ze ook bekeerd is.

Er is wel niets bijzonders gebeurd, maar, dat hoort ze nu elke zondag, dat is ook niet nodig voor een mens, die nooit in de wereld geleefd heeft. Ze is toch onder de waarheid groot geworden; zij i's er onder gebleven; zij heeft er toch liefde voor - en zie, dat zijn allemaal bewijzen, dat zij het geestelijk leven deelachtig moet zijn. Ze kan niet van een verandering spreken, ze kan niet veel zeggen, maar zij heeft toch ook wel begeerte om voor God te leven, en als ze sterft wil ze toch ook naar de hemel. Nu, het is alles in orde.

Zo zijn nu beiden „christen" geworden en ze gaan nu toch ook geloven, dat hun ouders en grootouders het veel te zwaar genomen hebben. Hun vader zei: „Het zal er toch zo op aankomen". En die moeder zat meest maar te schreeuwen. O, wat een gedrukt leven.

Dat och en ach horen ze nu niet meer. En zij geloven ook, dat het wel anders kan, en toch ook goed is. Zij hebben nu ook een opgewekt leven. De oude schrijvers staan nog wel in de kast, maar lezen doen ze er niet meer in. De enige keer, dat ze er uitkomen, is als het „schoonmaak" is. Ja, dat wordt toch eindelijk ook een last. In de States is er misschien geen mens meer, die dat Hollands kan lezen; het is allemaal Engels en hier kunnen wij dat Hollands ook niet meer vasthouden. Wij zijn in een Engels land, in de school is het Engels, in het dagelijks leven Engels, in de kerken komt het Hollands ook op de achtergrond. We moeten met de tijd mee. Ze kunnen de oude schrijvers ook wel naar een museum brengen. Het is nu nog een witte raaf, die blij is met een oude schrijver. En in Canada is het ook zo druk, wij moeten hard werken om ons huis vrij te krijgen, en om straks zelf wat te kunnen beginnen, dus van lezen komt er niets meer. Ja, nog één of twee van die stugge, onbuigzame Hollandse mensen zitten er op dat dorp, die geen mens overhalen kan. Die zitten nog in die oude boeken te lezen. Wij moesten maar vragen of die „stakkers" ze willen hebben. O ja, die 'tobbers' zijn er zo blij mee. Nu, bij ons is het een opruiming. Die oude boekenkast moet nu maar verbrand.
Maar nu is dat toch een lege plaats in ons huis. Wat zullen wij nu doen? Het is een mooie plaats voor een televisie. De eerste tijd leefden ze maar alleen, maar nu hebben ze zoveel vrienden gekregen. En die vrienden delen ook het standpunt, dat wij het niet zo nauw moeten nemen. Een christen moet en kan niet leven als een kluizenaar. Wij leven in andere tijden dan vroeger. Ik vroeg eens aan een man, die beleed een kind Gods te zijn en die ook televisie in huis had, wat hij met zulk een kijkkast van de duivel (zo noemde wijlen professor Wisse de televisie) in huis deed. En toen was zijn antwoord: dat is de oude mens, die daar naar kijkt.

Die televisie is toch zulk een wonderlijke uitvinding. We moesten er ook maar één kopen, dan blijven de kinderen ook thuis. De ouders zullen wel zorgen, dat er 'controle' blijft: al dat moorden en stelen en al wat godslasterlijk is en het zedelijk leven schaadt, mag er absoluut niet doorkomen. Dat is zo voor de eerste weken, maar het duurt niet lang, en dan is er geen „controle" meer.

Och, een mens moest wel beven en sidderen. Vroeger was er nog een weinig beslag, maar het gaat alles weg. De wereld in huis en God er uit. God laat niet met zich spotten. De consciëntie spreekt niet meer. Wij kunnen alles doen en de arme mens beseft niet, dat dat het zwaarste oordeel is. „Snelle afloop als der wateren". Geijverd en gevochten voor de oude waarheid, en nu praktisch alles verloochend, de wereld in hun huis gehaald, omdat de wereld nooit uit hun hart geweest is.

Ja, het is maar een nauw onderzoek voor een ieder. Keur wel de zonde af, maar werp met geen stenen. Ik las eens van een oude leraar uit het begin van de zestiende eeuw, die schreef: Ik ben al oud, maar weet nog niet wat er nog kan gebeuren voordat ik aan het eind van mijn leven ben. En zegt ook de waarheid het ons niet: Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle!

Wij moeten maar niet zo hoog van de toren blazen. Al die mensen, die dat doen, verraden daardoor weinig zelfkennis te hebben. Hoe meer Gods Geest ons zal verlichten en wij de diepte van onze val leren kennen en de bedrieglijkheid van ons hart, hoe meer wij bevreesd zullen zijn voor onszelf. Wij weten niet van hoedanige geest wij zijn. Het is niet genoeg voor de eeuwigheid, dat weten wij wel, doch het is ook zelfs uitwendig nog een weldaad, wanneer een mens onder de waarheid geboren, bij de waarheid blijven mag. Ik mag wel terdege die laatste woorden onderstrepen en er de nadruk op leggen: blijven mag.

Dat zijn we ook niet waardig en dat hebben wij ook niet verdiend. Als de Heere er ons onder houdt, zouden wij wel moeten zeggen: Heere, waarom is het, dat ik er ook niet vandaan loop?

Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes en Demas kreeg de tegenwoordige wereld lief. De mens snijdt zichzelf af en gaat moedwillig verloren. O jongens en meisjes, blijft bij de waarheid. Geeft het nooit prijs. De Heere mocht het nog eens aan je hart heiligen tot waarachtige bekering. Je leeft nog. Het kan nog.

Hoevelen hebben wij al weg zien vallen in ons leven! Ja, sommigen zelfs, die eenmaal in hun leven voor de waarheid geijverd, ja er voor gestreden hebben, die, zo scheen het, er alles voor over hadden. Wanneer ik sommige brieven zou publiceren, geschreven door zulke personen in die tijd toen ze vol ijver en vuur waren, dan zoudt ge zeggen: hoe is het mogelijk, dat er zulk een omkeer kan komen! Nu verwerpen zij wat zij vroeger hebben beleden; nu haten zij hetgeen ze vroeger achteraan liepen en waar zij alles voor wilden opofferen. Er was een tijd, dat de kerk voor die mensen alles was, en nu geven zij er een trap tegen; alles wordt afgescheurd en afgekapt wat tevoren ook voor hen als heilig aangemerkt werd. Men drijft de spot met de leer van vader en moeder; en zij openbaren vaak nog meer vijandschap tegen dat alles dan een openbare werelddienaar. O, het is zo gevaarlijk om zo te handelen. De Heere zegt in Zijn Woord: Een man, die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij, Spr. 29 : 1. Werkelijk, een mens mag er wel van beven en sidderen en zuchten: Heere, bewaar mij toch, o alvermogend God; laat het toch nooit zo ver komen, dat ik de waarheid vaarwel zeg, en een leer ga volgen en geloven, waar ik voor eeuwig mee omkomen zal. De zonde is een hellend vlak. En wanneer wij ons afscheiden van de zuivere leer der waarheid, dan gaan wij aan het dwalen en het gaat bij de meesten van kwaad tot erger. Er zijn zelfs voorbeelden van mensen, die op den duur alles gaan verloochenen en als heidenen sterven. Het grootste en het zwaarste oordeel, dat God over een mens kan zenden, is dat God hem niet meer aanspreekt en dat hij zijn eigen weg kan gaan. Schijnbaar is dat wel makkelijk, maar uiteindelijk is het een verschrikkelijke zaak.

De grote massa gaat door in de verharding, hetzij in een eigenwillige godsdienst of in openbare goddeloosheid. Velen verdwalen en komen nooit meer terecht. Ik heb ook hier in dit grote land wel eens mensen ontmoet, die zeiden: diezelfde klanken hebben wij gehoord veertig en vijftig jaar geleden, van mijn moeder, of van mijn vader - maar zo ver weg, dat zij toch geloofden dat het in een andere weg ook wel kon.

Elk zalig in zijn eigen godsdienst. O, wat zal die dag der eeuwigheid toch openbaren. Daar zal wening zijn en knersing der tanden. Alles komt terug. Gelukkige zielen waar het hier in dit leven voor terugkomt, en dat het beleefd mag worden tot Gods eer en hunner ziele zaligheid, Ps. 25 : 4:
God is waarachtig en goedig,
Hij is 't en blijft zulks altijd;
Ten wege brengt Hij zachtmoedig
De zondaar vervallen wijt.


Ds. W.C. Lamain
Uit: De Saambinder november/december 1969
Wat ik bij Paulus sterker hoor, maar in dit stuk van ds. Lamain minder, is de positieve toon van zekerheid en vreugde in Christus. Paulus waarschuwt ook ernstig, maar tegelijk legt hij altijd nadruk op de kracht van de Geest en de rust in de Heere Jezus. Dat mis ik hier wat. Vind ik erg
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

Marijn_M schreef: 23 aug 2025, 14:22
-DIA- schreef: 23 aug 2025, 11:17 Als we deze woorden van vroeger nu eens zouden wegen in de tijd waarin we nu samen terecht zijn gekomen. Zouden we dan nog schrikken? Of misschien als verhard niet meer merken? Wat in onderstaande is getekend dat zal zeker in veel gevallen werkelijkheid zijn. We kunnen het ook wel merken, dat we moeten zeggen: het is waar, we zijn ver weg gedwaald. Maar we blijven die we zijn. Wat is er een almachtige trekking nodig om onze paden te verlaten en weer te keren tot de oude paden: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor ziel; maar zij zeggen (Jeruzalem van toen): Wij zullen daarin niet wandelen.

Allerlei moeilijkheden
Er komen gedurig vragen uit onze eigen gemeenten, doch ook van leden, die tot andere gemeenten behoren, buiten ons kerkverband. Het ligt niet in mijn bedoeling om in het publiek verschillende van die vragen te gaan beantwoorden, daar het veelal gaat over persoonlijke aangelegenheden of familieomstandigheden. De betrokken personen zouden dat ook niet begeren en stellen er prijs op, dat de correspondentie vertrouwelijk blijft. Nu, dat is ook te begrijpen.

Toch zou ik ook in het belang van anderen naar aanleiding van een schrijven gaarne enige opmerkingen maken. Misschien wil de Heere het gebruiken tot waarschuwing voor anderen en ook om niet lichtvaardig te handelen met de waarheid en met onze onsterfelijke ziel, die voor een eeuwigheid geschapen is. Het is inderdaad niet hetzelfde hoe wij door de wereld gaan en komen, maar de grootste betekenis van ons leven is: Hoe zal ik eenmaal rechtvaardig voor God verschijnen? Het leven hier op de aarde is maar een doortrek naar de eeuwigheid en een tijd om voor- en toebereid te worden om God te mogen ontmoeten.

Vooral de eerste jaren van ons verblijf in dit grote werelddeel hebben wij gedurig kennis gemaakt met mensen, die uit het oude vaderland hier heen waren gekomen om zich hier te vestigen met hun familie. Vaak heb ik hun toegewenst, dat zij toch hier niet gekomen mochten zijn om zichzelf te begraven en dat ze begraven zouden worden.

Een mens ligt overal voor open en moet van ogenblik tot ogenblik bewaard worden door Gods beschermende hand. Ook vooral wanneer wij in een vreemd land komen.

Velen zijn op plaatsen gekomen waar geen waarheid was, d.w.z. dat er geen kerken waren waar zij dezelfde leer konden horen waarin zij waren opgevoed en wat hun altijd was voorgehouden. Sommigen hebben het intijds mogen inzien en hebben alles in het werk gesteld om op een plaats te komen waar zij geregeld met hun kinderen konden opgaan onder het zuivere Woord van God. Ook zijn er geweest waar de Heere zo goed voor was dat alles in de vlammen opging of dat ze bedankt werden en gedrongen werden om naar een plaats te gaan waar zij hetzelfde mochten horen wat zij altijd gehoord hadden.

Weer anderen hadden zo goed hun brood en zulk een goede betrekking en om hun brood zo maar weg te gooien, dat was ook, dachten ze, onverantwoordelijk. Ze moesten in de week dan wel 80 of 100 mijl rijden om naar de kerk te komen, maar dan 's zondags zouden ze maar thuis blijven. Zij besloten om een preek te lezen. Ze konden dan zelf wel kerk houden. Wat een goede voornemens!

De eerste zondag en zondagen ging het er stichtelijk naar toe. De vader had vrijdags of zaterdags zijn preken al klaar; de kinderen waren allemaal op tijd uit bed, alles was gereed en klaar, de kerk begon, 's Middags weer lezen, 's avonds nog een kort preekje. Ja, zo kon dat wel; in de week een goede boer en 's zondags een preek lezen. Vanuit de 'States' zijn er honderden en dan ook honderden oude schrijvers overgebracht, dus de mensen waren van alle kanten voorzien met goede boeken. Sommigen hebben naar die boeken gegrepen als naar brood, doch ik vrees dat velen er niet meer naar kijken. Doch in die eerste tijd! Ze konden nu zelf wel kerk houden. Dit was ideaal!

Maar op een zaterdagavond zijn de jongens zo laat thuis gekomen. Men is de gehele week zo druk geweest, daar zit die vader en die moeder met een paar kleine kinderen een preek te lezen. Anders hielden die grote kinderen de kleinen stil, maar nu is het een geschreeuw, dat ze de toepassing maar niet meer zullen lezen. De grote jongens liggen in bed en eindelijk tegen de middag komen ze beneden Eindelijk wordt besloten om 's morgens maar niet meer te lezen. 's Middags zal het dan ook veel beter wezen. Dan zijn ze beter uitgerust, dan kunnen zij beter luisteren en voor alles is het beter. De gehele week hard gesloofd, en als je dan 's zondags jezelf nog zo inspannen moet, dat zal de Heere toch ook niet van een mens eisen.

Op den duur wordt het 's avonds ook moeilijk. Die ene jongen krijgt kennis met een meisje, die tot een andere kerk behoort. en dat oudste meisje krijgt ook al verkering met een jongen, die niet naar een oude schrijver kan luisteren. Hij weet heel niet waar het over gaat. Och ja, die jongen kan het toch ook niet helpen, dat hij nooit naar de kerk ging, en dat meisje kan toch ook niet ongetrouwd blijven, dus we moeten maar wat water in de wijn doen. Het kan later nog wel goed uitkomen. Wij zullen het beste er maar van hopen. Het zijn geen kinderen meer, dus je moet het maar overgeven. Dus die jongen en dat meisje blijven ook niet meer thuis. Zij gaan mee naar die andere kerken. De ouders informeren zeer ernstig of het toch wel de zuivere, de oude waarheid is waar ze nu onder zitten. Och ja, het is wel wat anders, het is wel niet zo zwaar, maar ja, je bent ook in een ander land en je moet jezelf toch maar aan zien te passen. Ze bewegen later de ouders om maar te stoppen met dat preeklezen en ook mee te gaan. Ze zitten de eerste zondag als een kat in een vreemd pakhuis. Och, wat is het toch alles anders. Ze luisteren en luisteren, maar die oude klanken horen ze niet. Och, och, als mijn vader en mijn moeder het toch eens wisten waar wij nu terecht zijn gekomen, ze zouden wel zeggen: Kind, kind, is dat nu de vrucht van onze opvoeding? Zij kunnen er 's nachts niet van slapen. O, die consciëntie maakt het hun zo moeilijk. Ze hebben geen rust. Wat zijn wij toch begonnen? De boot waar ze mee over de oceaan gekomen zijn, is achter hen verbrand, dus terug gaat ook niet meer. Het is toch zo anders wat zij nu horen. Zij hebben hun gehele leven lang gehoord, dat een mens tot God bekeerd moet worden. Dat er een wonder geschieden moet, en zie, nu horen ze, dat ze ook bekeerd zijn. Ze mogen ook wel aan het Avondmaal komen, als zij maar aansluiten en lid worden.

Die dominee bezoekt ze ook eens en hij probeert die mensen te overreden om te geloven. Ze zijn eigenlijk verkeerd opgevoed. Die leer waar ze altijd onder opgegaan hebben, drukte de mens te veel in de put. Het Evangelie kwam niet genoeg tot zijn recht. De Bijbel is vol met beloften en God meent het zo ernstig met een mens. God wil, dat wij geloven zullen, en ongeloof is toch zulk een verschrikkelijke zonde. Er moet, zo zegt die dominee, met een mens niet zoveel gebeuren, als hij God maar op Zijn Woord gelooft.

Die man gaat aan het wankelen; die vrouw kan het alles nog zo maar niet overnemen. Neen, het gaat niet zo gemakkelijk. Zij kan het nog niet zien, dat er eigenlijk geen verschil is tussen de leer. Die leraar waar ze vroeger altijd onder zat, bij wie ze ter catechisatie ging, praatte toch zo geheel anders. Die leraar leeft niet meer, d.w.z. hier op de aarde. Hij is verlost. God heeft hem welgedaan. Zijn stem klinkt nog gedurig in haar oren. Neen, het is niet zo gemakkelijk om alles van vroeger te vergeten. En het is niet alleen die leraar, of die ouderling, maar zij heeft ook verschillenden van Gods volk horen spreken en bidden. Die mensen kwamen altijd maar met de noodzakelijkheid der waarachtige bekering, en dat er een genadewonder verheerlijkt moest worden in de mens. Wat een moeilijk leven. Maar eindelijk is die vrouw ook maar besloten om met haar man mee te gaan en aansluiting te zoeken bij die andere kerk. Als je toch getrouwd bent, moet je niet kerkelijk gescheiden leven, dat brengt vaak zo veel ellende teweeg. En dan met de opvoeding van de kinderen is het ook nodig, dat wij één lijn trekken.

De zaak is beslist. Die man voelt zich al spoedig thuis in die andere kerk en stapt ook al naar het Avondmaal. Die vrouw blijft nog zitten - neen, dat kan ze niet doen, daar is ze niet gerechtigd toe. Mensen van die kerk bezoeken haar; de dominee komt nog eens praten - hij komt nog eens terug, en ja, dan eindelijk gaat ze ook zachtjes aan geloven, dat ze ook bekeerd is.

Er is wel niets bijzonders gebeurd, maar, dat hoort ze nu elke zondag, dat is ook niet nodig voor een mens, die nooit in de wereld geleefd heeft. Ze is toch onder de waarheid groot geworden; zij i's er onder gebleven; zij heeft er toch liefde voor - en zie, dat zijn allemaal bewijzen, dat zij het geestelijk leven deelachtig moet zijn. Ze kan niet van een verandering spreken, ze kan niet veel zeggen, maar zij heeft toch ook wel begeerte om voor God te leven, en als ze sterft wil ze toch ook naar de hemel. Nu, het is alles in orde.

Zo zijn nu beiden „christen" geworden en ze gaan nu toch ook geloven, dat hun ouders en grootouders het veel te zwaar genomen hebben. Hun vader zei: „Het zal er toch zo op aankomen". En die moeder zat meest maar te schreeuwen. O, wat een gedrukt leven.

Dat och en ach horen ze nu niet meer. En zij geloven ook, dat het wel anders kan, en toch ook goed is. Zij hebben nu ook een opgewekt leven. De oude schrijvers staan nog wel in de kast, maar lezen doen ze er niet meer in. De enige keer, dat ze er uitkomen, is als het „schoonmaak" is. Ja, dat wordt toch eindelijk ook een last. In de States is er misschien geen mens meer, die dat Hollands kan lezen; het is allemaal Engels en hier kunnen wij dat Hollands ook niet meer vasthouden. Wij zijn in een Engels land, in de school is het Engels, in het dagelijks leven Engels, in de kerken komt het Hollands ook op de achtergrond. We moeten met de tijd mee. Ze kunnen de oude schrijvers ook wel naar een museum brengen. Het is nu nog een witte raaf, die blij is met een oude schrijver. En in Canada is het ook zo druk, wij moeten hard werken om ons huis vrij te krijgen, en om straks zelf wat te kunnen beginnen, dus van lezen komt er niets meer. Ja, nog één of twee van die stugge, onbuigzame Hollandse mensen zitten er op dat dorp, die geen mens overhalen kan. Die zitten nog in die oude boeken te lezen. Wij moesten maar vragen of die „stakkers" ze willen hebben. O ja, die 'tobbers' zijn er zo blij mee. Nu, bij ons is het een opruiming. Die oude boekenkast moet nu maar verbrand.
Maar nu is dat toch een lege plaats in ons huis. Wat zullen wij nu doen? Het is een mooie plaats voor een televisie. De eerste tijd leefden ze maar alleen, maar nu hebben ze zoveel vrienden gekregen. En die vrienden delen ook het standpunt, dat wij het niet zo nauw moeten nemen. Een christen moet en kan niet leven als een kluizenaar. Wij leven in andere tijden dan vroeger. Ik vroeg eens aan een man, die beleed een kind Gods te zijn en die ook televisie in huis had, wat hij met zulk een kijkkast van de duivel (zo noemde wijlen professor Wisse de televisie) in huis deed. En toen was zijn antwoord: dat is de oude mens, die daar naar kijkt.

Die televisie is toch zulk een wonderlijke uitvinding. We moesten er ook maar één kopen, dan blijven de kinderen ook thuis. De ouders zullen wel zorgen, dat er 'controle' blijft: al dat moorden en stelen en al wat godslasterlijk is en het zedelijk leven schaadt, mag er absoluut niet doorkomen. Dat is zo voor de eerste weken, maar het duurt niet lang, en dan is er geen „controle" meer.

Och, een mens moest wel beven en sidderen. Vroeger was er nog een weinig beslag, maar het gaat alles weg. De wereld in huis en God er uit. God laat niet met zich spotten. De consciëntie spreekt niet meer. Wij kunnen alles doen en de arme mens beseft niet, dat dat het zwaarste oordeel is. „Snelle afloop als der wateren". Geijverd en gevochten voor de oude waarheid, en nu praktisch alles verloochend, de wereld in hun huis gehaald, omdat de wereld nooit uit hun hart geweest is.

Ja, het is maar een nauw onderzoek voor een ieder. Keur wel de zonde af, maar werp met geen stenen. Ik las eens van een oude leraar uit het begin van de zestiende eeuw, die schreef: Ik ben al oud, maar weet nog niet wat er nog kan gebeuren voordat ik aan het eind van mijn leven ben. En zegt ook de waarheid het ons niet: Wie meent te staan, zie toe, dat hij niet valle!

Wij moeten maar niet zo hoog van de toren blazen. Al die mensen, die dat doen, verraden daardoor weinig zelfkennis te hebben. Hoe meer Gods Geest ons zal verlichten en wij de diepte van onze val leren kennen en de bedrieglijkheid van ons hart, hoe meer wij bevreesd zullen zijn voor onszelf. Wij weten niet van hoedanige geest wij zijn. Het is niet genoeg voor de eeuwigheid, dat weten wij wel, doch het is ook zelfs uitwendig nog een weldaad, wanneer een mens onder de waarheid geboren, bij de waarheid blijven mag. Ik mag wel terdege die laatste woorden onderstrepen en er de nadruk op leggen: blijven mag.

Dat zijn we ook niet waardig en dat hebben wij ook niet verdiend. Als de Heere er ons onder houdt, zouden wij wel moeten zeggen: Heere, waarom is het, dat ik er ook niet vandaan loop?

Ezau verkocht zijn eerstgeboorterecht voor een schotel linzenmoes en Demas kreeg de tegenwoordige wereld lief. De mens snijdt zichzelf af en gaat moedwillig verloren. O jongens en meisjes, blijft bij de waarheid. Geeft het nooit prijs. De Heere mocht het nog eens aan je hart heiligen tot waarachtige bekering. Je leeft nog. Het kan nog.

Hoevelen hebben wij al weg zien vallen in ons leven! Ja, sommigen zelfs, die eenmaal in hun leven voor de waarheid geijverd, ja er voor gestreden hebben, die, zo scheen het, er alles voor over hadden. Wanneer ik sommige brieven zou publiceren, geschreven door zulke personen in die tijd toen ze vol ijver en vuur waren, dan zoudt ge zeggen: hoe is het mogelijk, dat er zulk een omkeer kan komen! Nu verwerpen zij wat zij vroeger hebben beleden; nu haten zij hetgeen ze vroeger achteraan liepen en waar zij alles voor wilden opofferen. Er was een tijd, dat de kerk voor die mensen alles was, en nu geven zij er een trap tegen; alles wordt afgescheurd en afgekapt wat tevoren ook voor hen als heilig aangemerkt werd. Men drijft de spot met de leer van vader en moeder; en zij openbaren vaak nog meer vijandschap tegen dat alles dan een openbare werelddienaar. O, het is zo gevaarlijk om zo te handelen. De Heere zegt in Zijn Woord: Een man, die dikwijls bestraft zijnde, de nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij, Spr. 29 : 1. Werkelijk, een mens mag er wel van beven en sidderen en zuchten: Heere, bewaar mij toch, o alvermogend God; laat het toch nooit zo ver komen, dat ik de waarheid vaarwel zeg, en een leer ga volgen en geloven, waar ik voor eeuwig mee omkomen zal. De zonde is een hellend vlak. En wanneer wij ons afscheiden van de zuivere leer der waarheid, dan gaan wij aan het dwalen en het gaat bij de meesten van kwaad tot erger. Er zijn zelfs voorbeelden van mensen, die op den duur alles gaan verloochenen en als heidenen sterven. Het grootste en het zwaarste oordeel, dat God over een mens kan zenden, is dat God hem niet meer aanspreekt en dat hij zijn eigen weg kan gaan. Schijnbaar is dat wel makkelijk, maar uiteindelijk is het een verschrikkelijke zaak.

De grote massa gaat door in de verharding, hetzij in een eigenwillige godsdienst of in openbare goddeloosheid. Velen verdwalen en komen nooit meer terecht. Ik heb ook hier in dit grote land wel eens mensen ontmoet, die zeiden: diezelfde klanken hebben wij gehoord veertig en vijftig jaar geleden, van mijn moeder, of van mijn vader - maar zo ver weg, dat zij toch geloofden dat het in een andere weg ook wel kon.

Elk zalig in zijn eigen godsdienst. O, wat zal die dag der eeuwigheid toch openbaren. Daar zal wening zijn en knersing der tanden. Alles komt terug. Gelukkige zielen waar het hier in dit leven voor terugkomt, en dat het beleefd mag worden tot Gods eer en hunner ziele zaligheid, Ps. 25 : 4:
God is waarachtig en goedig,
Hij is 't en blijft zulks altijd;
Ten wege brengt Hij zachtmoedig
De zondaar vervallen wijt.


Ds. W.C. Lamain
Uit: De Saambinder november/december 1969
Wat ik bij Paulus sterker hoor, maar in dit stuk van ds. Lamain minder, is de positieve toon van zekerheid en vreugde in Christus. Paulus waarschuwt ook ernstig, maar tegelijk legt hij altijd nadruk op de kracht van de Geest en de rust in de Heere Jezus. Dat mis ik hier wat. Vind ik erg. Ik begrijp niet dat hij juist het mooiste achterwege laat.
Gebruikersavatar
Posthoorn
Berichten: 7390
Lid geworden op: 04 dec 2008, 11:22

Re: Long Reads

Bericht door Posthoorn »

Overigens had je daarvoor niet het hele stuk hoeven quoten... ;)
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

Posthoorn schreef: 23 aug 2025, 18:41 Overigens had je daarvoor niet het hele stuk hoeven quoten... ;)
Sorry, die hele quote was eigenlijk alleen om jouw ;) te verdienen
Gebruikersavatar
Marijn_M
Berichten: 171
Lid geworden op: 28 feb 2024, 13:23

Re: Long Reads

Bericht door Marijn_M »

Blackfriars, 22 februari 1770

Genade en vrede zij vermenigvuldigd voor onze geliefde vrienden te S.

Mevrouw B., neem het licht van het Woord en aanschouw, welke liefde de Vader u heeft gegeven! Wat waren Zijn voornemens van genade, toen Hij u aan Zijn Zoon gaf (verwonder en aanbid die), toen Hij die aan u openbaarde door Zijn Geest, en u bracht tot de kennis van uw Vader, Die in de hemel is? En waartoe anders? Dan dat u zou komen om Hem te genieten, Die uw hoogste geluk is.

U geniet Hem – eer aan Zijn soevereine genade – maar bedenk wel: u geniet Hem nu als een gevallen schepsel. U bent teruggebracht tot de Vader, door de Zoon, door de Geest. De Zoon was uw Borg, de Vader heeft Hem in uw plaats aangenomen, de Geest heeft u in staat gesteld te geloven dat de Vader u volmaakt liefheeft in Zijn Zoon. Zo komt u tot het genieten van de eeuwige Drie-enige God

Maar toch niet zoals u Hem in de hemel zult genieten. De wijze van genieten is verschillend: hier door geloof, daar door aanschouwen – hier door zware strijd, daar door voortdurende vrede – hier staan de zinnelijke dingen altijd tegenover de geestelijke en verminderen zij die, daar is alles geestelijk – hier is het genieten van God in het beste geval onvolmaakt, daar is het volmaakt. Hier, omdat u vlees en geest bent, moeten zichtbare genietingen worden weggenomen om ruimte te maken voor geestelijke; de afwezigheid van het zichtbare is nodig voor de groei van het geestelijke.

Daarom kan ik niet anders dan God voor u prijzen, Die zoveel zorg aan u besteedt. Hij heeft u uitverkoren tot betere dingen dan de wereld geven kan. Uw deel is niet hier beneden. God Zelf is uw deel, en al Zijn handelen met u heeft dit doel: dat u Hem zo leert genieten. Hij ploegt en egt, en gebruikt alle middelen om een goede oogst te verkrijgen. Hij geeft regent en zonneschijn, zendt wind en storm, vorst en sneeuw – maar alles vervult Zijn Woord. Zijn frons en Zijn glimlach leren u één en dezelfde les.

Ziekte bij uzelf, in uw gezin, in uw “andere ik” (uw man), zijn verbondsbezoeken en spreken luid: “Mevrouw B., u bent van de Heere, en Hij zal u niet met rust laten, Hij zal u niet toestaan neer te zitten op uw droesem. U moet in beweging gehouden worden; volledige rust en gemak zouden uw ondergang zijn. Daarom heeft God, ja uw God, in Zijn rijkste liefde elk korreltje lijden zorgvuldig afgewogen dat nodig is om u dicht bij Hem te houden.”

Maar waarom ben ik nu aan het preken geraakt? U weet zelf dat het waar is, en ik weet ook dat u dat zo ervaart: de tijd dat u leeft door het geloof in de Zoon van God is altijd het zoetst, juist wanneer het leven van het gevoel het minst te genieten heeft. Moge de Heere u de genade schenken dat u dagelijks uw geluk volledig vindt in God, uw Verbondsgod en Vader, en in die dingen die juist toenemen door ze te gebruiken, wanneer al het andere geluk tekortschiet.

Vergeet niet voor mij te bidden — anders bent u geen vriend voor uzelf.*

I am, very sincerely,
Your friend and servant,
In our common Lord,
W. Romaine

* Als u nalaat voor mij te bidden, doet u niet alleen míj tekort, maar ook uzelf — want bidden voor elkaar is deel van uw eigen geestelijk welzijn. (ik denk dat het zoiets betekent?)
-DIA-
Berichten: 34042
Lid geworden op: 03 okt 2008, 00:10

Re: Long Reads

Bericht door -DIA- »

Gezien de manier van denken die we steeds meer tegenkomen, en blijkbaar het niet meer volledig aanvaarden van Schrift en Belijdenis, of een min of meer eigen zienswijze hierop, lijkt het me wel noodzaak om dit te onderscheiden. We troffen een 5-delige artikelenserie aan in De Wachter Sions tussen september en november 1973
Hieronder de stukjes, geschreven door dhr. J. Boeder, zouden zeer helder voor ons moeten zijn. Maar afgaande op verschillende reacties denk ik toch dat dit niet allemaal meer zo helder voor ons is. Daarom lijkt het me nuttig om hier eens wat bij stil te staan. Wat is er in feite gaande? Waar staan we in deze tijd? Is ons fundament nog wat het was, nl. de leer die ons van onze vaderen is overgeleverd, gegrond in Schrift en Belijdnis. Een toets kan nooit kwaad. Ook gezien de vele, ontelbare verleidende geesten die nu over de gehele wereld gaan, en waar ook, dat geloof ik ook zeker, de massamedia, de nieuwe media (als we die nog zo mogen noemen) heel veel invloed uitoefenen, met name op hen die soms met serieuze vragen bezet zijn.
Onderstaand een aantal artikelen met name n.a.v. de leer die prof. Van Ruler bracht, en die diep doordrong in de kerken van de reformatie. Hier gaat het over de sleutelmacht van de kerk, n.a.v. van de eerste sleutel (zie Heidelberger Catechismus vraag en antwoord 83)


EEN VREEMDE SLEUTEL 1
Het is inzonderheid voor onze jonge mensen een bange tijd. Enerzijds wordt hen de leer van Gods Woord nog voorgehouden en gevoelen ze, dat ze zo-niet kunnen sterven om God te ontmoeten. Anderzijds is de verleiding van de wereld en de zuigkracht van het ongeloof, maar ook niet minder van de oppervlakkige godsdienst, zo groot, dat we wel dagelijks mogen uitroepen: o God ontferm U over onze kinderen, want wie zal toch staande blijven. Als we laten blijken, dat we voor de waarheid kiezen, behoeven we niet veel vriendschap te verwachten. Van de wereld niet, want die heeft het hare lief, hoewel dat nog te dragen zou zijn. Maar voornamelijk de godsdienst zal trachten zijn felle pijlen te schieten in de zielen van hen, die God door Zijn Geest bearbeid tot overtuiging van hun ellendestaat.
Maar is het dan zo droevig gesteld in ons vaderland ? Er zijn toch nog zoveel kerken, zoveel predikanten, zoveel christelijke instellingen ? Het is toch een tijd van een geestelijke opleving, zoals sommigen menen ? Er is nu zelfs weer een hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht namens de Bond tot Verbreiding en Verdediging van de Waarheid in de Herv. Kerk. En denk eens aan het machtige Getuigenis. Welk een gloed is daar van uitgegaan. We praten nu tenminste weer met elkaar. En er groeit een nieuwe oecumene van de gehele Gereformeerde Gezindte. De Gereformeerde theologie heeft weer toekomst. Zo redeneert men maar voort en men wil maar liever niet wat dieper op de achtergronden ingaan.
Toen de valse profeet Hananja profeteerde van vrede, zei Jeremia: „Amen, de Heere doe alzo ! de Heere bevestige Uw woorden..." Jer. 28. Hij begeerde de dodelijke dag van Israël niet. Maar de Heere gaf hem opdracht inplaats van de verbroken houten jukken ijzeren te maken.
Dat oordeel is ook nu te vrezen, daar vele profeten uitgaan „stijvende het volk in boosheid, waar de getrouwe profeten door dreigementen van Gods straffen hen tot bekering zochten te bewegen, met beloften van genade voor de boetvaardigen." (Kanttekening 16). Het getuigenis laat wel veel bekende klanken horen, maar een professor, die zijn leven besteed heeft de om dwaalleer van Karl Barth te verbreiden, kan zich er ook onder vinden. Rechts confessionelen en Gereformeerde Bonders gaan samen een nieuwe middenorthodoxie vormen, nu de oude gefaald heeft bij het geven van leiding tot kerkherstel. Velen spreken wel de oude klanken, waardoor de hoorders menen de oude gereformeerde waarheid te beluisteren, maar de invloed van de theorieën van Van Ruler zijn dikwijls duidelijk merkbaar.
Daarom zou het onder Gods zegen nuttig kunnen zijn de leer van Van Ruler zo nu en dan eens ter sprake te brengen. Dan zal blijken met wat voor een geest we te doen hebben achter veel verschijnselen in het kerkelijke en politieke leven. Ditmaal wilden we stil staan bij wat Van Ruler leert over de eerste sleutel van het Koninkrijk der Hemelen.
Op bladzijde 101 van zijn boek Religie en Politiek schreef hij: „ledere prediking is proclamatie (afkondiging, B.) van het heil dat óns - de gemeente, de gelovigen en hun zaad - tesamen geschonken is in Christus. Zo alleen is zij inderdaad sleutel des hemelrijks, welke opent en sluit, en dat wel zeer bepaald (in onderscheiding van de tucht) in deze volgorde: eerst opent en daarna sluit."
Dat Van Ruler hier van een volgorde van tijd spreekt, blijkt daaruit, dat hij zegt: in onderscheiding van de tucht. Door de christelijke ban wordt een persoon van de Gemeente Gods afgesneden. Betoont hij daarna een oprecht berouw, dan wordt hij wederom in de gemeente opgenomen. Hier is dus een volgorde van tijd. Maar dit is een dwaling overeenkomstig de geest van de hedendaagse godsdienst. De Catechismus kent deze tijdsvolgorde van eerst in te sluiten en daarna uit te sluiten niet. De eerste sleutel van het Koninkrijk der Hemelen doet beide, zij opent voor de gelovigen en boetvaardigen en sluit voor de onboetvaardigen en die zich niet van harte bekeren.
De rechte prediking begint dus volgens van R. met insluiten. Laat ons eerst zien, wie er volgens hem allemaal ingesloten worden en dan eens nagaan of hij eigenlijk wel ooit aan het uitsluiten toekomt.
Iedere prediking is afkondiging, zo leert hij, van het heil dat ons, dat is: de gemeente, de gelovigen en hun zaad, in Christus geschonken is. De vraag is nu: wat verstaat van Ruler onder de gelovigen. Immers de schijn der rechtzinnigheid en een spreken overeenkomstig de Catechismus is hier volgens het gebruikelijke recept aanwezig.
Als van Ruler zegt: dat óns geschonken is, bedoelt hij met ons allen die in het lidmatenboek staan. Op bladzijde 94 leert hij namelijk weliswaar: „Niet alleen die ingeschreven staan in het lidmatenregister van de kerk, komen voor in het getal der uitverkorenen. En evenmin omgekeerd: niet allen die voorkomen in het getal der uitverkorenen staan ingeschreven in het lidmatenregister der kerk." Maar dan zegt hij: „En toch verbiedt God mij, de band tussen beide dan maar door te snijden en te zeggen: het getal der uitverkorenen en lidmatenregister der kerk hebben niets met elkaar te maken. Sprak de Bijbel niet over de gemeente als over het getal dergenen die zalig worden - en waren daaronder niet Ananias en Saffira? En daarvoor had hij reeds geschreven: „Er is een onverbrekelijke band tussen het getal der uitverkorenen en het lidmatenregister der kerk." We zouden dus kunnen zeggen: Van alle leden en doopleden moeten we volgens van Ruler veronderstellen, dat ze uitverkoren zijn. Gods Woord zou dat volgens hem ook doen, want Ananias en
Saffira werden gerekend onder de gemeente, die zalig wordt. Hier kunnen we een vergelijking maken met dr. A. Knijper. Knijper zei eigenlijk met andere woorden: de mensen die in het lidmatenboek staan en die wedergeboren zijn dekken elkaar zonder enige twijfel niet. En toch verbiedt God mij de band tussen beide dan maar door te snijden en te zeggen: 'het getal der wedergeborenen en het lidmatenregister der kerk hebben niets met elkaar te maken. Knijper sloot dus iedereen in, tenzij het tegendeel bleek. En dat bleek steeds minder spoedig en tenslotte feitelijk helemaal niet meer.
Van Ruler zegt nu: de mensen die in het lidmatenboek staan en die uitverkoren zijn dekken elkaar zonder enige twijfel niet. En toch verbiedt God mij de band tussen beide dan maar door te snijden en te zeggen: het getal der uitverkorenen en het lidmatenregister der kerk hebben niets met elkaar te maken. Om te beginnen sluit dus Van Ruler iedereen in. Maar hij heeft wel een heel vreemde sleutel, want aan uitsluiten komt hij in feite helemaal niet toe. Laten we daar niet te licht over denken. Door redeneren over allerlei bekende en Bijbelse termen, komt hij tenslotte zover dat er van het „zegt de rechtvaardige, dat het hem wel zal gaan en de onrechtvaardige, dat het hem kwalijk zal gaan" niets meer overblijft. Doch daarover D.V. een volgende maal verder.

EEN VREEMDE SLEUTEL 2
De vorige maal zagen we de verwantschap tussen A.A. van Ruler en A. Knijper sr. Deze verwantschap komt zeer duidelijk openbaar als we letten op het gebruik van de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen. Kuijper en zijn volgelingen sluiten eerst alle lidmaten (in de praktijk alle hoorders) in en betuigen hen allen openlijk, dat God waarachtig al hun zonden om de verdiensten van Christus wil vergeven heeft. Zij doen dit op grond van een veronderstelde wedergeboorte. Het uitsluiten komt eerst dan aan de orde, als het tegendeel blijkt. Zoals we reeds hebben opgemerkt, bleek het tegendeel steeds minder spoedig en het is de vraag of het nog wel enige werkelijke betekenis heeft.
Van Ruler grijpt even dieper en doet het in feite op grond van een veronderstelde uitverkiezing of misschien moeten we zeggen: op grond van de Barthiaanse opvatting van de uitverkiezing. De gemeente is uitverkoren, dus: de dominee verkondigt je, dat je zonden vergeven zijn, want je staat in het lidmatenboek. God heeft u gevangen in de list van Zijn genade. „In de prediking gaat het gemeenschappelijke voorop." (Religie en Politiek, blz. 100). „Want daarvan moeten we blijven uitgaan: in de dood en de opstanding van Christus zijn wij gezet op de bodem van Gods genade, op de bodem van Gods beloften en eisen Gods genade héérst over ons. Wij zijn in Christus verkoren." Religie en Politiek, blz. 78.
We zouden nu nog bezien of Van Ruler nog wel ooit aan uitsluiten toekomt. O.i. blijft het bij insluiten en de mogelijkheid om uit te sluiten wordt geheel weg geredeneerd.

Zo schreef hij in zijn werk Religie en Politiek, blz. 80: „Men kan niet van mening verschillen over de vraag, of het mogelijk is, dat de mens niet gelooft, dat een mens in zijn ongeloof volhardt. Gegeven het verbond der genade is het ongeloof, is de verharding een onmogelijke mogelijkheid. In de dood en de opstanding van Christus zijn wij gezet op de bodem van Gods genade. Hoe kan het dan anders of de mens gelooft. De genade héérst immers over hem."
En dan vervolgt hij: „En hiertegen mag men ook niet in het midden brengen, dat wat ons in Christus gegeven is nog moet worden toegepast. Want Ie: deze genade in de dood en de opstanding van Christus verworven, wórdt toegepast; de Geest is ons gegeven en woont in de boezem der gemeente, en de Geest is de toepassing der genade." Na nog een paar punten genoemd te hebben, eindigt hij deze zin met te schrijven: „Daarom kàn en màg men het heil in Christus en de toepassing van het heil niet uit elkaar halen.'
Hier zien we duidelijk waar we door middel van theologische redenering terecht komen met een voor Gods kerk zo troostvolle leer. dat een ieder voor wie Christus Zijn dierbaar bloed vergoten heeft, ook zeker tot de zaligheid komen zal, omdat de verwerving en de toepassing onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn. Van Ruler redeneert aldus: We zijn in Christus verkoren, we zijn gezet op de bodem van Gods genade, nu dan komt de toepassing natuurlijk ook!
Maar, zo zult u wellicht vragen: kan er bij Van Ruler dan helemaal geen sprake zijn van ongeloof en verharding? Uit het voorgaande zou dat immers volgen. Maar volgens Van Ruler mogen we toch niet eindeloos rechtlijnig doorredeneren. Het is weliswaar een onmogelijkheid, maar dan „een blijkbaar toch mogelijke onmogelijkheid."
Hij schrijft daarover: „De mens kan zich verharden, en zo het verbond, de genade verwerpen. Dit is de zonde tegen de Heilige Geest; de enige zonde die niet vergeven wordt", blz. 80.
Maar zelfs dan mogen we zo iemand daarin nog niet ernstig nemen, volgens Van Ruler, „maar hebben we hem onophoudelijk de genade te verkondigen." In die verharding, in die verwerping, is hij ook weer in Christus verworpen. De verwerping is een blijkbaar toch mogelijke onmogelijkheid aan de grens van de kerk.
Hoewel er volgens hem een noodzakelijke plaats blijft voor het persoonlijk geloof, stelt toch de waarheid van het verbond alle menselijke godsvrucht betrekkelijk. „Ik houd het er voor" zo schrijft hij, „dat we ook op dit punt de moed moeten hebben, consequent te blijven in de uitwerking van de verbondsgedachte", blz. 81.
Zo zien we dus, dat zijn sleutel eigenlijk alleen ontbindt of opent. Vandaar dat we het een vreemde sleutel noemden. Evenals het ongeloof een onmogelijke mogelijkheid is, zo is ook eigenlijk de noodzaak om te sluiten een onmogelijke mogelijkheid. Maar zelfs dan nog hebben we zo iemand „onophoudelijk de genade te verkondigen."
Die dit alles leest, kan zich eigenlijk alleen nog maar verbazen hoe het mogelijk is, dat zovelen onder de dekmantel van de oude bevindelijke waarheid voor te staan, met dit alles zo weglopen. Hoeveel predikanten zijn er die voorgeven door God geroepen te zijn en geen vreemdeling te zijn van het werk der genade, die gaarne nog wat bevindelijke uitdrukkingen doen, maar die in Van Ruler min of meer hun geestelijke vader vinden. De invloed van deze richting is bijvoorbeeld in de zogenaamde Gereformeerde Bond reeds zo sterk, dat men van officiële zijde daarvan ook geen afwijzing van deze in wezen antinomiaanse richting behoeft te verwachten.
We kunnen gerust stellen, dat deze gruwelijke ketterijen een van de boze aanslagen is, die tegen Gods heilig Woord bedacht zijn. Hier is de theologie niet gebruikt om te dienen in de strijd voor het behoud van de waarheid, maar om eigenlijk Gods Woord volkomen en geheel te ontkrachten.
Als de theologie op deze wijze beoefend wordt, onderscheidt zij zich niet van de dromen van de Baälprofeten. Dat waren profeten, die leugen profeteerden. „Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij; Die daar denken om Mijn volk Mijn Naam te doen vergeten, door hun dromen, die zij, een ieder zijn naaste, vertellen", Jer. 23 : 27. We kunnen beter een eenvoudige man van het platteland, die nooit theologie gestudeerd heeft, maar die door God uit Zijn Woord is onderwezen, beluisteren, dan dat we onze zielen en de zielen onzer kinderen aan deze verleidende geesten zouden toebetrouwen.
Een volgende maal hopen we nog iets verder op deze dwaalleer in te gaan D.V.

EEN VREEMDE SLEUTEL 3
Er geschiedt niets buiten Gods Voorzienigheid, want het is de Heere, Die alle dingen regeert. Ook zijn deze tijden van verval en afval in Zijn Woord voorzegd, 2 Tim. 3 : 1. Maar de Heere doet het in Zijn rechtvaardig oordeel, waarin hij de mens overgeeft aan zijn eigen verdorven hart en begeerlijkheden.
Daarbij neemt Hij ook het licht van de kandelaar, namelijk de zuivere prediking des Woords weg, 2 Thess. 2 : 11. De dienst der zonde en de dienst der wereld en het overgeven aan een kracht der dwaling om de leugen te geloven, gaan menigmaal tezamen. Daar waar Gods Woord nog gepredikt wordt, niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des Geestes en der kracht (1 Cor. 2 : 4), daar zullen de hoorders zich niet al juichende over het heil, dat zij in Christus hebben, in de volslagen ijdelheid, en werelddienst storten. Zonder nu de middeloorzaak en het gevolg te bepalen, kunnen we wel zeggen, dat het verval in de prediking en de wereldgelijkvormigheid hand in hand gaan. Achter de prediking zien we weer de theologische stelsels, waarbij we onze aandacht inzonderheid aan die willen geven, die er op uitlopen, dat de prediking inhoudsloos en van haar kracht wordt geroofd.
En als we dan de stromingen op theologisch gebied eens overzien, dan bemerken we toch ondanks alle verschil een merkwaardige overeenkomst tussen een aantal daarvan. Die overeenkomst wordt bij de volgende vier hoofdrichtingen gevonden, namelijk bij: de leer van de veronderstelde wedergeboorte, de zogenaamde drie-verbondenleer, de leer van een algemene en onvoorwaardelijke aanbieding aan alle hoorders en tenslotte het Rulerianisme, met zijn veronderstelde of Barthiaanse uitverkiezingstheorie. Alle vier soorten leiden er toe, om niet te zeggen: worden door velen daartoe gebruikt, om Gods kerk te beroven van één van haar kenmerken, namelijk de zuivere prediking van het Evangelie, waartoe ook de 1e sleutel van het Koninkrijk der hemelen behoort. Dit is een bedienende macht, waardoor de Koning van de kerk door middel van de prediking van Zijn Woord de zonden vergeeft of de zonden behoudt.
Elk van deze stelsels is op zijn wijze er op gericht om een einde te maken aan het onderscheidend prediken of het zal op den duur daartoe leiden. Het de rechtvaardige aanzeggen, dat het hem wel zal gaan en de goddeloze, dat het hem kwalijk zal gaan, vervlakt en verdwijnt. Alle hoorders worden min of meer gelijkgeschakeld. Ze worden ingesloten, totdat ze er zelf genoeg van krijgen en de kerk de rug toe keren, omdat ze het tenslotte „wel geloven." Uitsluiten geschiedt alleen in het alleruiterste geval of tenslotte helemaal niet meer. Of men gaat het uitsluiten toepassen, juist tegen degenen, die God ingesloten wil hebben. De prediking is zo geworden tot een zielsmisleidende verkondiging, waarin in wezen het Evangelie ontbreekt.
De rechte prediking is altijd hierop gericht, dat de schuldige mens onvoorwaardelijk in Gods handen valt. Hij is waardig voor eeuwig buitengesloten te worden en dat rechtvaardig. Als de Heere dat aan een ziel komt toe te passen, dan mag hij het hoofd op het blok leggen en kan God hem geen kwaad meer doen. Daar houdt de rebellie op ! Maar ook daar ontsluit zich het Evangelie. Want indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden, 1 Cor. 11 : 31. En die nu op de weg des heils geleid wordt, zal ook aan de weet komen, dat we nog zo maar niet aan de zelfveroordeling toe zijn en ook daar uit onszelf niet bij kunnen blijven, omdat we onszelf toegevallen zijn. Daar is een Goddelijke, onoverwinnelijke en almachtige kracht toe nodig. De vier genoemde richtingen hebben allen in wezen één en dezelfde dwaling, hoe verschillend zij die ook funderen. Deze dwaling komt er voor alle vier hierop neer, dat alle kerkleden (of alle hoorders) in een staat van genade zijn. Of om het met Van Ruler te zeggen: wij zijn in Christus op de bodem gezet van Gods beloften en eisen." R. en P. blz. 79.
Nu is het niet zo, dat alle vier richtingen op dezelfde wijze deze algemene grondstelling trachten te funderen. De neo-gereformeerde Kuyperiaanse stroming handhaaft deze stelling op een zeker oordeel der liefde of door te veronderstellen, dat alle lidmaten (of hoorders) uit de dood tot het leven gebracht zijn en dus zijn wedergeboren. De genade heerst over hen (v.R.) Ze moeten als kinderen Gods worden aangesproken en aan zulken komen de beloften der zaligheid toe. De 1e sleutel sluit vrijwel uitsluitend in. Om uit te sluiten moet de goddeloosheid al zeer sterk naar buiten treden.
De aanhangers van de drie-verbondenleer verwierpen de veronderstelde wedergeboorte. Zij bleven aanvankelijk meer bij de noodzakelijkheid van de waarachtige bekering. Maar de aangenomen grondslag, dat het verbond der genade opgericht is met de lidmaten en hun natuurlijk kroost (in de praktijk weer alle hoorders) ondermijnde het aanvankelijk zuiverder standpunt en ook nu is men in veel gevallen zover, dat men leert, om het met v.R. te zeggen: In Christus zijn wij gezet op de bodem van Gods beloften en eisen. De prediking gaat dezelfde kant op als bij de neo-gereformeerden: de eerste sleutel sluit hoofdzakelijk in. Uitgesloten worden zij, bij wie de goddeloosheid uitwendig al te zeer openbaar komt. Helaas ook dikwijls zij die door Goddelijke bearbeiding ontdekt, zich buiten al Gods beloften waar gaan nemen.
De derde stroming, opkomende uit die kringen, waar een onderscheidende prediking nog gehandhaafd werd, begint meer en meer uit te gaan van een zogenaamd algemeen en onvoorwaardelijk aanbod. Van hieruit redenerend komen ze er eveneens toe om te zeggen: in Christus zijn wij gezet op de bodem van Gods beloften en eisen. Door het aanbod worden alle hoorders ingesloten. Zolang een nog min of meer onderscheidende prediking gehandhaafd blijft, wordt er nog veel van het oude bewaard, maar het verval in de prediking is reeds duidelijk merkbaar.
Het is tenslotte de grote geest van Van Ruler geweest, die het geheel heeft overzien en het, mede met behulp van Barthiaanse ideeën, tot een volledig stelsel heeft samengevat.
Veronderstelde wedergeboorte, zegt u? Och, dat zijn we nu te boven! De genade wórdt toegepast en alle menselijke godsvrucht is betrekkelijk. Moeten we het verbond bepalen tot de lidmaten en hun natuurlijk zaad of alleen tot de uitverkoren? Ook dit is een overbodige vraag! Het is allebei waar. „Het voorwerp van de predestinatie is de gemeente, is het verbond" en „daarvan moeten we blijven uitgaan: in de dood en de opstanding van Christus zijn wij gezet op de bodem van Gods genade, op de bodem van Gods beloften en eisen. Gods genade héérst over ons. Wij zijn in Christus verkoren." God verbiedt mij de band tussen het getal der uitverkorenen en het lidmatenboek door te snijden.
En een algemeen en onvoorwaardelijk aanbod dan? Wel, dat is nu toch geen vraag meer? Dat vloeit eenvoudig uit hetgeen hiervoor gesteld is voort! Of wilt u het verbond in het felle licht van de idee van de verkiezing van enkelingen laten verbleken tot een inwendig verbond met de uitverkorenen, waarbij het uitwendig verbond dan wordt „tot een belachelijke schijnvertoning van een niet-welgemeend genade-aanbod?"
Dit is dan de weg om van Gods Woord, met name van de 1e sleutel van het Koninkrijk der hemelen een belachelijke schijnvertoning te maken. Doch daarover D.V. een volgende maal nog iets meer.

EEN VREEMDE SLEUTEL 4
Indien de theologie op een godvruchtige wijze wordt bedreven, zal zij altijd een streven zijn om de leer van Gods Woord tegen ingeslopen dwalingen te verdedigen, opdat de waarheid des te helderder te voorschijn kome. De valse theologie zoekt Gods waarheid te verduisteren. En zo ook de theorieën van Van Ruler. Zij lopen hierop uit, dat de bediening van de eerste sleutel van het Koninkrijk der hemelen een schijnvertoning wordt. De prediking begint bij hem met het insluiten van allen zonder onderscheid en daarmee eindigt zij vrijwel ook. Laten we daarom deze vreemde sleutel laten rusten en ons tot de eenvoud van Gods Woord en de leer van onze vaderen keren.
Als we dat doen, kunnen we heel wat schijngeleerdheid missen en we behoeven ook niet zoveel vreemde termen te gebruiken. Want tegenwoordig zouden we haast denken dat de verborgenheden des geloofs de geleerden geopenbaard waren. Maar de Heere Jezus dankte Zijn Vader, de Heere des hemels en der aarde, dat Hij het de kinderkens geopenbaard had. En daaronder zijn niet vele wijzen naar het vlees, niet vele machtigen en niet vele edelen, 1 Cor. 1:26.
Hoe gelukkig is het volk, dat met de dichter getuigen mag:
Ik ben wel klein, veracht, maar niet misleid;
'k Vergeet in smaad noch armoe Uw bevelen.

De catechismus zegt eenvoudig, dat de prediking van het Evangelie opent en sluit, ontsluit en toesluit, de vergeving der zonden betuigt en de onderworpenheid aan de eeuwige verdoemenis betuigt. Dit openen en sluiten geschiedt ten opzichte van personen, namelijk voor hen die het Woord horen. Door het Woord wordt onderscheid gemaakt tussen mensen en mensen: sommigen worden ingesloten, anderen worden uitgesloten. Daarbij worden de hoorders in hun hoedanigheden aangesproken. En zo is Gods Woord levend en krachtig, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling der ziel, en des geestes, en der samenvoegselen, en des mergs, en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten, Hebreeën 4:12.
De catechismus spreekt over twee groepen van mensen, die met hun hoedanigheden worden aangeduid, namelijk: de gelovigen, zo dikwijls zij de belofte met een waar geloof aannemen en de ongelovigen en die zich niet van harte bekeren. We behoren óf tot de ene groep, óf tot de andere. We worden ingesloten óf uitgesloten. Daardoor worden de gelovigen, verslagen over hun zonden en ongeloof, aangespoord de zaligheid in Christus te zoeken en ontvangen een gegronde troost, terwijl de ongelovigen en allen die de wereldse ijdelheden dienen, worden verschrikt, hoewel hun tevens de weg der zaligheid wordt voorgehouden en alle onschuld en voorwendsel hun benomen wordt.
Zo leert het ons ook Gods Woord, waarvan we slechts één voorbeeld noemen, namelijk Jesaja 55:7, daar zegt de profeet: De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den Heere, zo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onze God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk." We vinden hier een dierbare belofte van de Goddelijke ontferming in de vergeving der zonden. Een belofte, die algemeen aan alle hoorders wordt voorgesteld en als zodanig algemeen genoemd wordt. Maar zult u vragen: wordt dan hier aan een ieder verkondigd en openlijk betuigd, dat God waarachtig alle zonden om Christus wil vergeven heeft? Voor allen, die zich bekeren zonder enige twijfel, want de Heere is een Waarmaker van Zijn Woord. Maar als we in goddeloosheid onze weg gaan en we leven bij de boze gedachten van ons verdorven hart in de wereldse ijdelheid en vleselijke begeerlijkheden, hoe zullen we dan troost hieruit putten? Dan worden we door Gods Woord uitgesloten van het deelgenootschap aan de Goddelijke ontferming en de vergeving der zonden, omdat we onszelf uitsluiten, en gelegd onder het vloekvonnis der eeuwige rampzaligheid.
Ja maar, zal iemand misschien zeggen: ik sta in het lidmatenboek. Maar och arme. Judas behoorde zelfs tot het getal der jongeren van Christus en hij is nooit de waarachtige bekering deelachtig geweest. Waarom vleit ge uzelf met zulk een ijdele hoop?
Ja maar, zal wellicht een ander zeggen: mijn ouders hebben mij altijd gezegd, dat ik wedergeboren ben en in het genadeverbond en dat de beloften mij toekomen! En is dat dan alles wat ge hebt? Gods Woord leert ons, dat we allen goddelozen zijn en dat onze gedachten te allen dage alleen boos zijn. Zijt ge daar dan niet van overtuigd en nooit ernstig werkzaam geweest om die goddeloosheid en boze gedachten te verlaten? Waarom ziet ge toch liever op wat de mensen u wijsmaken, dan op Gods Woord? Zal God Zich richten naar de woorden der mensen en niet bevestigen, dat Hij Zich zal ontfermen over de goddeloze, die zijn wegen verlaat? Of menen we heimelijk geen goddeloze te zijn en de bekering niet van node te hebben?
Om met de joden te zeggen: wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend. Dan zegt Christus Zelf tot ons: Mijn woord heeft in u geen plaats!
Maar nu is er een, die wat nader komt en die zichzelf probeert gerust te stellen door te zeggen: ja, maar de aanbieding is toch algemeen? En het is waar: in de prediking komt dit woord tot alle hoorders. Maar hebt u daar genoeg aan en kunt ge daar in rusten? Dan is uw toestand verschrikkelijk, want het stelt alleen maar in het licht, dat u de weg weet en in die wetenschap rust en dus de weg niet bewandelt. En zulken zullen met dubbele slagen geslagen worden.
Maar er is nog een soort mensen, die onder de waarheid uit willen komen. Zij gaan nu zeggen: ja, maar u verbindt aan Gods genade voorwaarden! En de genade is vrij zonder dat de Heere voorwaarden in de mens stelt. "Anders wordt de mens op zichzelf teruggeworpen en dat wordt een uitzichtloze zaak", (ds. H. Rijksen volgens RD van 26-8-1972). Maar hier wordt God Zelf beschuldigd, want Hij stelt het zo in Zijn Woord. Hier doet iemand zich voor als een kampioen voor vrije genade door het loochenen van Gods rechtmatige eisen. Maar dan hebben we ook nog nooit iets van vrije genade leren kennen. Is dat goed denken van God door de helft van Zijn Woord te schrappen en het krachteloos te maken ? Dat is het werk van de antinomiaan. Die roemt ook van de vrijheid van de genade, maar de bekering heeft hij niet van node.
Het werk des Heeren in de ziel is dit: dat de ziel innerlijk verbonden wordt met de levende God en wat zeer vanzelfsprekend is ook met de zo billijke eisen Gods, dat Hij overeenkomstig Zijn Woord gediend wil worden. Dan gaan we de voorwaarden des Konings niet ontkennen, maar omhelzen. Zulken zouden wel dag en nacht willen arbeiden om de goddeloze wegen en de ongerechtige gedachten te verlaten, maar wat loopt dat laag af. Een moorman kan zijn huid niet veranderen. En we kunnen maar niet onvoorwaardelijk in de handen Gods vallen. Maar toch brengt de Heere met Zijn eigen hand daar Zijn volk. Daar mogen ze aanschouwen die gezegende Immanuel, God met ons, die Koning der ere. Die door de vlakke velden rijdt. Dat volk moet zo menigmaal uitroepen: och, wierd ik derwaards weer geleid. Het wordt zo gemakkelijk gezegd: de genade is vrij, maar dat volk moet het alle dagen opnieuw leren. In een slotartikel willen we trachten nog iets te-zeggen over hetgeen ds G. H. Kersten en Calvijn in dit verband geschreven hebben.

EEN VREEMDE SLEUTEL (SLOT).
In ons vorige artikel beloofden we nog iets te "zullen melden over hetgeen ds. G. H. Kersten en ook Calvijn in verband met de eerste sleutel van het Koninkrijk der Hemelen geschreven hebben. Hier volgt dan de aanhaling uit de Dogmatiek van ds. Kersten (Deel 2, blz. 95):
„De zichtbare kerk wordt als wedergeboren beschouwd; de kenmerken der genade, die toch bij zelfonderzoek ter toetsing dienen moeten, zowel tot vermaning der onbekeerden als tot troost der oprechten, geraakten geheel op de achtergrond, ja velen achten zelf-beproeving, of men de wedergeboorte deelachtig is, onnodig. Ieder gedoopte, die van de waarheid niet afwijkt, heeft te geloven, dat hij een erfgenaam des eeuwigen levens is. Had men zich nog maar gehouden aan de kenmerken-leer, die Voetius, op wien men zich zo gaarne beroept, voorstond ! Maar de waarachtige bevinding des Heiligen Geestes wordt als valse mystiek en op de dool geraakte vroomheid uitgekreten."
Had men zich nog maar gehouden aan de kenmerkenleer, die Voetius voorstond!, zo roept ds. Kersten uit. En dat is precies het punt waar het om gaat. Dan had de veronderstelde wedergeboorteleer, naar de mens gesproken, zulke ontstellende verwoestingen niet kunnen aanrichten. En hetzelfde geldt ook voor de leer, dat al het natuurlijk zaad wezenlijk in het verbond is, de leer van het algemeen en onvoorwaardelijk aanbod en tenslotte voor het sluitstuk: de leer van Van Ruler. Deze stelsels zijn er op gericht, of worden er voor gebruikt, of leiden er toe, dat de door hen verachte godsdienst van de „bevindelijken" en „mystieken", zoals men ze met minachting noemt, de bodem wordt ingeslagen.
In principe wil men bij al de genoemde groepen de prediking laten uitgaan van de stelling: In Christus zijn wij, dat zijn alle hoorders, gezet op de bodem van Gods beloften. De genade is reeds ons eigendom, zij het dan in de belofte. We zijn gevangen in de list van Gods genade. Daarna volgen dan nog wat eisen, maar laat een ieder oordelen, wat daar­ van in de loop der jaren bij Kuijpers volgelingen is overgebleven. En we zien in de Christelijke Gereformeerde Kerk dezelfde loop zich aftekenen. De uitsluitende werking, die de insluitende werking van Gods Woord onlosmakelijk vergezelt, wordt bij voorbaat afgesneden. Maar dan past ook een kenmerkenprediking niet voor zulke leraars, omdat ze dan toch weer zouden moeten uitsluiten, die ze nu op een valse grond insluiten.
Calvijn heeft met grote duidelijkheid de kenmerken van het genadeleven uiteengezet. We lezen bijvoorbeeld in zijn Institutie vele malen, dat het geloof, door Gods Geest gewerkt, onderscheid maakt tussen mensen en mensen, tussen de ware Israëliet en die allen naar het vlees van Abraham afkomstig is. En^ in het 3e Boek, hoofdstuk 2, legt hij uitvoerig uit wat de natuur is van het ware zaligmakende geloof, in onderscheiding van het historiëel-, tijd-, en wondergeloof. Ook wijst hij de eigenaardigheden (Comrie zou zeggen: eigenschappen) daarvan aan.
Wat zien we nu in onze dagen als een duidelijk kenmerk van hen, die de waarheid verlaten? We zien de afkeer en de boosheid oprijzen, als de kenmerken van het genadeleven uiteengezet worden. Velen gevoelen dan, dat de zorgvuldige gekoesterde grond van het gezet zijn op de bodem van Gods beloften, als drijfzand onder hen wegzinkt. Maar hoe zullen we dan voor Gods rechterstoel daarmee verschijnen?

De vorige maal zagen wij reeds, dat de Heere aan alle hoorders laat bekend maken, dat er genade is in een weg van waarachtige wederkeer.. Die wederkeer, die waarachtige bekering moet in onze dagen geschrapt worden. De antinomiaanse kampioenen voor de vrije genade zeggen: o, alstublieft geen voorwaarden, dan wordt de mens teruggeworpen op zichzelf. Maar evenals er een weg is van vlakbij de hemel naar de hel, is er ook een weg van dichtbij de oude waarheid naar het meest consequente Rulerianisme. De praktijk zal het zeker uitwijzen.
Toen Calvijn zijn Institutie schreef, had hij met een geheel ander slag van dwaalgeesten te maken. Zij wilden uit de voorwaardelijke beloften en voorstellingen, die veelvuldig in Gods Woord voorkomen, afleiden, dat de mens toch enige kracht moest bezitten om de voorwaarden te vervullen. Anders, zo zeiden ze, spot God maar met ons. Wat voor goedertierenheid is er nu in zulke beloften, indien ze gebonden zijn aan een voorwaarde, die we toch niet kunnen vervullen ? Dat is wel een mooie zekerheid van de beloften, als ze afhangen van een onmogelijke zaak! Dan bespot God ons op een onmenselijke wijze „door ons-uit te nodigen tot het verdienen van zijn weldaden, terwijl Hij weet, dat we geheel en al onmachtig zijn."
Zo spraken dus de pelagiaanse vrije-wildrijvers. Ze zeiden dus niet, zoals de antinomiaanse dwaalgeesten in onze dagen: geen voorwaarden in de mens, anders wordt de mens op zichzelf teruggeworpen, de genade is vrij. Ze schrapten dus niet de helft van Gods Woord door Gods rechtvaardige eisen te ontkennen. Daarvoor waren de teksten te duidelijk. Maar zij leiden eruit af, dat als God dan wederkeer eiste, de mens toch enige macht daartoe moest bezitten.
Voor beide soorten geeft Calvijn het antwoord. Hij schreef: „Evenals God door Zijn geboden het geweten der goddelozen prikkelt, opdat ze niet al te zoet zich door de zonden laten strelen, zonder te denken aan Zijn oordelen, zo betuigt Hij hun in de beloften in zekere zin, hoezeer zij Zijn weldadigheid onwaardig zijn. Want wie zou ontkennen, dat het volkomen billijk en passend is. dat de Heere hun weldoet, door wie Hij gediend wordt, maar dat Hij Zich op de verachters Zijner Majesteit naar Zijn gestrengheid wreekt ? Rechtmatig dus en behoorlijk handelt God, wanneer Hij aan de goddelozen, die in de boeien der zonde gekluisterd zijn, bij Zijn beloften deze voorwaarden voorschrijft, dat zij eerst dan weldaden zullen genieten, wanneer ze hun slechtheid zullen verlaten, al was het slechts hierom alleen, dat ze zouden begrijpen, dat ze terecht uitgesloten worden van datgene, dat aan Gods oprechte dienaren toekomt."
Hier krijgen beiden hun deel, zowel degenen die menen in eigen kracht zich te kunnen bekeren, als zij, die in naam van vrije genade Gods billijke eis tot wederkeer willen schrappen. Tevergeefs leidt men uit de voorwaarden eigen kracht en vermogen af en tevergeefs eigenen we ons de beloften toe als we behoren tot de verachters van Gods Majesteit door Zijn wetten achter onze rug te werpen. Hoe geheel anders met dat volk, dat door Gods Geest wordt bearbeid. Zij leren zien, dat des Heeren weg wel recht is, maar dat hun weg niet recht is. Ze worden met een hartelijke liefde aan God en Zijn dienst verbonden. En in die weg wordt het nu een gedurig omkomen aan hun zijde. Het zou recht zijn als God nooit meer naar hen kwam om te zien. Maar zulken mogen nu, naar de mate van de bedeling Gods, de kracht van Gods vrije en onvoorwaardelijke beloften ervaren, want die wü de Heere ontsluiten voor een schuldig volk.
O, hoe weinig acht slaan we op zo grote zaligheid, dat we ons zo gemakkelijk op een valse grond gerust stellen voor de eeuwigheid. En hoe lichtvaardig wordt er door vele leraars met mensenzielen gehandeld, welker bloed God eenmaal van hun banden eisen zal. Want ook een leraar valt onder de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen. Ezech. 13 : 9 en 10. En de rechte herder komt boven de schuld niet uit.
© -DIA- 33.965 || ©Dianthus »since 03.10.2008«
Plaats reactie