Hierin wordt uitgebreid ingegaan op de vragen van Molenaar.
Met uitgebreide schriftuurlijke bewijzen.
Ik zou zeggen: Onderzoek onderstaande passages met de gegeven schriftplaatsen.
De Westminster Confessie (WC) plaatst de Decaloog (tien woorden of tien geboden) in het verlengde van de (ingeschapen) wet vóór de val aan Adam gegeven. (Zie hieronder XIX.1 en 2.)
Ook blijkt dat de WC de Decaloog of wet der zeden verbindend acht voor alle mensen van alle tijden (Zie hieronder XIX.5.). Al zijn degenen die in Christus gerechtvaardigd zijn (d.i. vrijgesproken) niet meer onder de Wet als verbond der werken, toch blijft die Wet voor hen van groot nut. (Zie XIX.6 en 7.)
Hoofdstuk XIX. Over de Wet des HEEREN.
XIX.1. De HEERE heeft aan Adam een wet gegeven als een Verbond der werken, waardoor Hij hem en al zijn nakomelingen verplichtte tot persoonlijke, algehele, volmaakte en eeuwige gehoorzaamheid, het leven beloofd heeft op de onderhouding, en de dood bedreigd op het verbreken daarvan. Hij heeft Adam begiftigd met het vermogen en de bekwaamheid om die te onderhouden.
(Gen.1:26,27; Gen.2:17; Rom.2:14,15; Rom.10:5; Rom.5:12,19; Gal. 3:10,12; Pred.7:29; Job 28:28.)
XIX.2. Deze wet is na zijn val een volmaakte regel van gerechtigheid gebleven en is als zodanig door de HEERE op de berg Sinaï in tien geboden afgekondigd en geschreven op twee tafelen, waarbij de eerste vier geboden onze plicht jegens God bevatten en de andere zes onze plicht jegens de naaste.
(Jak.1:25; Jak.2:8,10,11,12; Rom.13:8,9; Deut.5:32; Deut.10:4; Ex. 24:1; Matth.22:37-40.)
XIX.3. Behalve deze wet, gewoonlijk de zedelijke wet genoemd, heeft het God behaagd het volk van Israël, als de kerk in haar minderjarigheid, ceremoniële wetten te geven die verscheidene zinnebeeldige verordeningen bevaten, die deels met betrekking tot de eredienst Christus, Zijn genade, Zijn werk, lijden en weldaden afschaduwden, deels verschillende instructies van zedelijke pichten gaven. Al deze ceremoniële wetten zijn thans onder het Nieuwe Testament afgeschaft.
(Hebr.9; Hebr.10:1; Gal.4:1,2,3; Kol.2:17; 1 Kor.5:17; 2 Kor.6:17; Jud.:23; Kol.2:14,16,17; Dan.9:27; Ef.2:15,16.)
XIX.4. Hij heeft hun ook, als een politieke eenheid, verschillende wetten voor de rechtsspraak gegeven, die met het ophouden van dat volk als een staat ook eindigden en die thans niemand anders verder verplichtingen opleggen dan de algemene rechtvaardigheid vereist.
(Ex.21 en 22; Gen.49:10; 1 Petr.2:13,14; Matth.5:17,38,39; 1 Kor.9:8-10.)
XIX.5. De zedelijke wet verbindt voor eeuwig allen, zowel personen die gerechtvaardigd zijn als anderen, tot gehoorzaamheid niet alleen ten aanzien van de inhoud ervan, maar ook met betrekking tot de autoriteit van God, de Schepper, Die haar gegeven heeft. Ook ontbindt Christus in het evangelie op geen enkele wijze deze verplichting, maar versterkt die veeleer.
(Rom.13:8-10; Ef.6:2; 1 Joh.2:3,4,7,8; Jak.2:10; Matth.5:17-19; Jak.2:8; Rom.3:31.)
XIX.6. Hoewel ware geloven niet meer onder de wet zijn als een Verbond der werken om daardoor gerechtvaardigd of veroordeeld te worden, toch is zij voor hen van groot nut evenals voor anderen, omdat zij als een regel des levens die hun de wil van God en hun plicht meedeelt, hun voorhoudt en hen verbindt overeenkomstig de wet te wandelen. Zij ontdekt hun ook de zondige verdorvenheden van hun natuur, hart en leven, zodat zij, als zij zichzelf daaraan onderzoeken, tot meerdere overtuiging van, vernedering wegens en haat tegen de zonde mogen komen, en tegelijkertijd tot een helderder gezicht van hun behoefte aan Christus en de volmaaktheid van Zijn gehoorzaamheid. Zij is eveneens voor degenen die wedergeboren zijn van nut om hun verdorvenheden te beteugelen, daar zij de zonde verbiedt, terwijl de bedreigingen ervan dienen om te tonen wat ook hun zonden verdienen en welke bedreigingen zij in dit leven daarvoor kunnen verwachten, hoewel zij bevrijd zijn van de vloek die daarover in de wet bedregd wordt. De beloften tonen hun op gelijke wijze Gods goedkeuring over de gehoorzaamheid en welke zegeningen zij mogen verwachten als zij die volbrengen, hoewel die gehoorzaamheid geen verplichting op hen legt door de wet als een verbond der werken. Evenzo als iemand het goede doet en het kwade nalaat, omdat de wet het ene aanmoedigt en van het andere afmaant, is dit geen bewijs dat hij onder de wet is en niet onder de genade.
(Ps.89:31-35; Lev.26:1-14; 2 Kor.6:16; Ef.6:2,3; Ps.37:11; Matth.5:5; Ps. 19:12; Gal.2:16; Luk.17:10; Rom.6:12,14; 1 Petr.3:8-12; Ps. 34:13-17; Hebr.12:28,29.)
(Vertaling J. de Jager, 2001.)XIX.7. De hiervoor genoemde nuttige toepassingen van de wet zijn ook niet in strijd met het evangelie, maar komen daar zeer wel mee overeen, aangezien de Geest van Christus de wil van de mens onderwerpt en bekwaamt om datgene vrijwillig en blijmoedig te doen wat de geopenbaarde wil van God in de wet van ons eist wat gedaan moet worden.
(Gal.3:21; Ezech.36:27; Hebr.8:10; Jer.31:33)