KDD schreef: ↑24 feb 2026, 12:20
Ik vindt dit altijd een waardevol stuk:
Petrus Immens schreef:
Is er nu zoveel zoetheid in een welgegronde verzekering, hoe is het dan en waar komt het vandaan, dat er zo weinig bemoedigde en verzekerde christenen in onze dagen gevonden worden? Dat is ons vijfde stuk, dat we nu moeten onderzoeken.
En hiervan kunnen redenen gegeven worden en aan de zijde van God, en aan de zijde van de gelovigen zelf.
1. Aan de zijde van God:
a. Het behaagt de Heere om Zijn vrijmacht te tonen in het bedelen van de genade.
Het behaagt Hem deze met veel licht en blijdschap te leiden, en een ander door veel duisterheid en naarheid, zonder dat Hij reden geeft voor al Zijn daden. En hier moet men Zijn weg aanbidden, zonder daarover te twisten.
b. God wil Zijn volk hierdoor nederig en klein houden, opdat het zich niet op de ontvangen genade zal verheffen. Want hoewel de verzekering in haar eigen aard de hoogmoed niet werkt, maar het tegendeel, zo gebeurt het nochtans door de inwonende zonden en listen van de satan, dat ze een verkeerde uitwerking heeft. Omdat God nu lust heeft tot nederigheid, wil Hij die door de weg van duisterheid in hen bevorderen.
c. De Heere doet het om van de goddelozen wil, om te tonen, dat men zo gemakkelijk niet zalig wordt, dat de poort eng en de weg nauw is, die ten leven leidt; opdat zij zullen denken: Hebben zulken het zo bang, die naar de hemel gaan, wat heb ik dan te wachten? Worden de rechtvaardigen maar nauwelijks zalig, waar zal dan de goddeloze en de zondaar verschijnen?
2. Maar heeft God zulke wijze en heilige redenen, daar zijn er ook aan de zijde van Gods volk. Zij zijn dikwijls zelf de oorzaak van hun twijfelmoedigheid.
a. Omdat zij zich niet genoeg oefenen in de kennis van de waarheden, waardoor ze geen rechte bevatting hebben van het geloof, van de natuur van de verzekering en andere waarheden. En daardoor geraken zij in slingeringen, terwijl zij zichzelf uit veel zwarigheden zouden kunnen redden indien zij meer kennis hadden.
b. Velen geven zich er in toe; die worden het klagen gewoon. Zij houden zich bijna met niets anders op, alsof het tot het wezen van het christendom behoort. Ontneemt men hun een zwarigheid, zij hebben er weer veel andere; en in zulken is het als een ziekte geworden.
c. Velen leven niet ernstig, niet teder, noch nauwgezet genoeg in het eenzame voor God. Zij houden zich niet genoeg bezig in heilige meditatiën en ernstige gebeden. Men bidt wel, maar niet met die aanklacht, met die ernst, met inspanning van alle krachten. Men berust dikwijls in de gedane plicht, en dan is er die heilige ontevredenheid niet als men de Heere niet vindt. Daarom komt er dan een verwijdering tussen hen en de Heere, daar Deze Zijn licht intrekt.
d. Velen leven niet zorgvuldig, niet waakzaam en teer genoeg omtrent de wereld, om met wijsheid en voorzichtigheid te verkeren in het midden van een krom en verdraaid geslacht. Men maakt zich de wereld te veel gelijkvormig in woorden en daden, men komt niet vrijmoedig, noch hartelijk genoeg voor God en Zijn zaak uit. Wanneer zulken dan bedaard tot zichzelf komen, worden zij bekommerd. Dan is het: Waarin ben ik onderscheiden van de wereld? Waar blijkt het uit, dat in mij iets anders is dan in de wereld? Dan verwerpt men zijn staat en blijft in bekommering en duisterheid leven. En o, hier moet ik zeggen: Kinderen van God, schaamt u er over voor de Heere; vernedert u, dat gij door uw gedrag de wereld niet alleen tot aanstoot zijt, maar dat u uzelf de zoetheid en troost van het christendom beneemt. Want de heiligheid is de weg om tot zekerheid te komen. Als men teer omtrent 'God is, beantwoordt God zulks door Zijn genoegen aan de ziel weer te tonen. En hoewel uw wangedrag u niet buiten de hemel zal houden, het maakt evenwel de weg voor u nauw.
En dit uit het 3e hoofdstuk:
Er is meer dan één verzekering, namelijk:
a. Er is een verzekering in het Voorwerp, dat is, dat ik staat maak met volle gerustheid op alles wat God in Zijn Woord van Zichzelf, van de Heere Jezus en van de ganse weg van de zaligheid geopenbaard heeft. Dit noemt Johannes het aannemen van Gods getuigenis, waardoor men verzegelt, dat God waarachtig is, Joh. 3 : 33. Dit gaat dus meest omtrent God als het Voorwerp en wordt in de verzekering noodzakelijk voorondersteld.
b. Maar dan is er nog een verzekering in het onderwerp, dat gelooft. Want het is wat anders, of ik weet en geloof, dat er een God en Zaligmaker is, of dat ik geloof, dat Hij mijn God is en dat Hij mijn Zaligmaker is.
En dit is weerom tweezins.
- Of middellijk, dat ik uit Gods Woord zie wat er getuigd wordt van een erfgenaam van de zaligheid, en mijn hart daarbij leggende, besluit: zo bevind ik het, dus moet ik dan tot het getal van die behoren. En dat wil ik noemen een rechtuitgaande daad van de ziel tot God in de oefening van het geloof, hetgeen met veel bedaardheid en stilheid kan geschieden op een verstandige wijze.
- Of er is een onmiddellijke verzekering, wanneer God het geloof en de liefde van Zijn volk goedkeurt, Zijn genoegen toont en met weerliefde beantwoordt. En dat is de weeromstuitende daad, waardoor God de liefhebbende ziel in liefde omhelst.
Laat ik deze tweeërlei verzekering tot recht begrip eens met een gelijkenis ophelderen. Een kind, dat enige tijd van de vader afwezig geweest is, wanneer het de vader ziet, zal het naar hem toelopen, en het weet aan zijn kant, dat het hem hartelijk liefheeft. Maar omdat de vader het aanstonds omhelst en in zijn armen drukt, ja iets geeft tot bewijs van zijn liefde, zo wordt het van 's vaders liefde ook verzekerd. Dus liefde oefenen, en in liefde omhelsd te worden, zijn twee onderscheiden zaken. Het eerste kan een ziel jaren achter elkaar bezitten door het oefenen van een gezet en teer christendom; het andere geniet ze nu en dan eens, en soms wel niet vóór ze op het doodbed komt, daar ze dan de voorproeven van die zaligheid, die ze haast volop genieten zal, smaakt.