huisman schreef:Nogmaals de sleuteltekst van dit Hst is 1 Kor 10 :6
6 ¶ En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
Paulus houdt de N.T.
verbondsgemeente van Korinthe als voorbeeld het O.T.
verbondsvolk Israël voor laat zien de grote weldaden die Israël geschonken waren
¶ En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn;
2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee;
3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben;
4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde ; en de steenrots was Christus .
En dan zegt de Heere dat zij vanwege hun ongeloof toch verloren zijn gegaan ondanks de grote verbondsweldaden ( die hadden de omliggende volken niet) Deze ernstige waarschuwing geldt echt alle verbondskinderen. Niet het verbond maakt zalig , maar het geloof in de gekruisigde Christus.
Beste huisman, uiteraard ben ik het helemaal met je eens als je stelt dat het volk Israël hier tot voorbeeld gesteld wordt voor de gemeente. Dit zegt Paulus heel duidelijk, dus het zou dwaas dát te bestrijden. Maar waaróm zegt Paulus dat? Niet om er een verbondstheologie mee te funderen of te bewijzen, maar om een heel andere reden. Je citeert de tekst zelf al: "En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden,
opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben."
Dáárom wordt het volk Israël de gemeente tot voorbeeld gesteld.
Maar daar zit ook een heel stuk typologie in. Want van het volk Israël zijn de meesten
letterlijk "ternedergeslagen in de woestijn", zij werden ook
letterlijk door de slangen gebeten, etc. etc.
Zo is Israël voor ons een voorbeeld van wat er met ons gebeurt als ook wij niet in het geloof blijven.
Dat betekent dus dat Paulus van de mogelijkheid uitgaat dat er óók in de gemeente zijn, die van het geloof af kunnen vallen, mensen dus die niet écht geloven (want als je echt gelooft, kun je niet afvallen, althans niet definitief). Mensen dus, die slechts op een 'uitwendige' wijze deel hebben aan de weldaden van het nieuwe verbond.
Maar ook dát heb ik nooit ontkend. De grote vraag is echter, gaat het bij die 'niet waarlijk gelovenden' om mensen die als kind in de gemeente geboren zijn, maar niet tot geloof gekomen zijn, óf gaat het hier om mensen die wél hun geloof hebben beleden, als volwassene gedoopt zijn, maar tóch ten diepste geen deel hebben aan het heil?
Het antwoord op die vraag wordt door 1 Kor. 10 niet beslist. En dat is nu net waar het over gaat.