Arja schreef: ↑14 feb 2026, 23:44
1. Je vraagt mij uit te leggen waarom de kinderen onder het Oude Testament het zegel van de gerechtigheid des geloofs ontvingen. Dat kan ik niet, omdat de Schrift dat nergens zegt. Romeinen 4:11 past “zegel der gerechtigheid des geloofs” toe op Abraham persoonlijk, in verband met zijn geloof vóór de besnijdenis. Het Oude Testament noemt de besnijdenis een teken van het verbond, maar nergens een zegel van persoonlijke rechtvaardiging voor alle kinderen. Daarom kan ik die formulering niet als bijbels gegeven verdedigen.
In Romeinen 4 wil Paulus juist aantonen dat Abraham werd gerechtvaardigd vóór en los van zijn besnijdenis. Rechtvaardiging is dus niet afhankelijk van het teken. Daarom kan hij vader zijn van zowel besneden als onbesneden gelovigen. Als je Romeinen 4:11 algemeen maakt voor alle besneden kinderen, verschuift Paulus’ betoog: dan wordt de besnijdenis per definitie een zegel van persoonlijke rechtvaardiging. Maar Paulus’ hele punt is juist dat rechtvaardiging niet rust op de besnijdenis, maar op het geloof.
Ik dacht dat de besnijdenis een vaste betekenis heeft los van wie de besnijdenis ontvangt. Nu maak je ervan dat de besnijdenis alleen een zegel was van de gerechtigheid van het geloof voor Abraham en niet voor zijn natuurlijk zaad.
Ik snap je argument hiervoor dat Paulus' punt is dat je niet gerechtvaardigd wordt door de besnijdenis en dat je daarom niet kan zeggen dat alle besnedenen gerechtvaardigd zijn omdat ze allen het zegel van de rechtvaardigheid zouden hebben. Jij concludeert dat het dus niet voor alle Joden een zegel van de rechtvaardigheid door het geloof was.
Zijn punt is echter ook dat je als Jood het zegel van de rechtvaardigheid kan hebben zonder dat je door het geloof gerechtvaardigd bent. Dat was ook in het OT al zo. Daarom staat er in Deut. 10:16 dat je de voorhuid van je hart moet besnijden. In Deut. 30:6 belooft de HEERE dat ook te doen.
Dus het teken en zegel van de besnijdenis is niet afhankelijk van de ontvanger, maar als je het zegel hebt, dan verplicht het je om de geestelijke betekenis te realiseren (Deut. 10:16).
2. Ik ben het met je eens dat vergeving en het kennen van de HEERE ook onder het Oude Testament de inhoud van het heil waren. “Ik ben de HEERE uw God” is geen andere zaligheid dan in het Nieuwe Testament. Daar zie ik ook continuïteit. Maar Jeremia 31 legt niet alleen de inhoud van het heil uit, hij beschrijft ook een kenmerk van het nieuwe verbond: “zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste tot hun grootste toe” en “Ik zal hun ongerechtigheid vergeven”. De nadruk ligt daar niet alleen op wát het heil is, maar op wie er in dat verbond zijn, namelijk degenen die de HEERE kennen en vergeving ontvangen hebben.
Mijn vraag is daarom niet of het wezen van de zaligheid in OT en NT hetzelfde is. Mijn vraag is hoe het Nieuwe Testament, in het licht van Jeremia 31 en Hebreeën 8, het nieuwe verbond zelf typeert.
Het nieuwe verbond wordt gesteld tegen het verbond op de Sinai met zijn wetgeving. Evangelie wordt tegenover de wet gezet. De stenen tafelen konden Israel niet bekeren, maar de Geest die de wet in het hart schrijft wel.
Het Evangelie en de belofte van de Geest is ook het genadeverbond met haar besnijdenis (Gen.17,7/Gal. 3:17). De wet op de Sinai doet dat verbond niet teniet. Het nieuwe van het nieuwe verbond is dat het Evangelie glashelder is ipv de schaduw en dat de Geest overvloedig is uitgestort en dat de wet als tuchtmeester weg is. Maar in beide verbonden waren dezelfde beloften, dezelfde Geest, dezelfde zaligheid.
Het is dus niet zo dat Jer. 31 het verbond opeens beperkt tot de ware gelovigen omdat de inhoud is dat ze Mij allen kennen van de grootste tot de kleinste. Dat duidt meer op de helderheid van het Evangelie en de zalving van de Geest (1 Joh.).
3. Het aanspreken van kinderen binnen de gemeente is niet uniek voor een bepaalde verbondsopvatting. Ook in gemeenten waar alleen gelovigen worden gedoopt, worden kinderen opgeroepen tot gehoorzaamheid. Het feit dat zij binnen de gemeentecontext worden toegesproken, betekent dus niet automatisch dat hun verbondsstatus daarmee theologisch is vastgesteld.
Wel is duidelijk dat kinderen worden gezien als deel van de gemeente die wordt aangesproken als geliefden, heiligen, kortom bondelingen.
Dus nu mijn vraag weer: Waar in het Nieuwe Testament wordt emand op grond van geboorte als lid van het nieuwe verbond aanduidt?
Nergens expliciet. Dat had ik al gezegd.
[/quote]