Hoe kan […] [een mens] zeggen wat het is om gered te worden, als zijn geweten niet gekreund heeft onder de last van de zonde? Ja, het is onmogelijk dat hij ooit met heel zijn hart uitroept: “Mannen en broeders, wat zullen wij doen?”—dat wil zeggen: wat moeten wij doen om gered te worden. De mens die geen wonden of pijnen kent, kan de kracht van het geneesmiddel niet begrijpen. Ik bedoel: hij kent het niet uit eigen ervaring en kan het daarom niet waarderen, noch er die achting voor hebben als degene die de genezing heeft ontvangen. Leg een pleister op een gezonde plaats, en haar kracht zal niet blijken. Ook hij op wiens vlees zij zo wordt aangebracht, kan door die toepassing haar waarde niet verstaan. Zondaars […] die niet verwond zijn door schuld en niet gebukt gaan onder de last van de zonde, kunnen—ik zeg het nogmaals—niet in deze gevoelloze toestand van u weten wat het is om gered te worden.
Verder houdt dit woord “gered”, zoals ik zei, in dat men verlost wordt van de toorn van God. Hoe kan iemand dan zeggen wat het is om gered te worden, als hij niet de last van Gods toorn heeft gevoeld? Hij—ja, hij die verbaasd is over en beeft voor de toorn van God—die weet het best wat het is om gered te worden (Handelingen 16:29).
Ds. J. Bunyan
Gelezen (geloofsopbouwend)
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
1 When I survey the wondrous cross
on which the Prince of glory died,
my richest gain I count but loss,
and pour contempt on all my pride.
2 Forbid it, Lord, that I should boast
save in the death of Christ, my God!
All the vain things that charm me most,
I sacrifice them through his blood.
3 See, from his head, his hands, his feet,
sorrow and love flow mingled down.
Did e'er such love and sorrow meet,
or thorns compose so rich a crown?
4 Were the whole realm of nature mine,
that were a present far too small.
Love so amazing, so divine,
demands my soul, my life, my all.
Ds. I. Watts
on which the Prince of glory died,
my richest gain I count but loss,
and pour contempt on all my pride.
2 Forbid it, Lord, that I should boast
save in the death of Christ, my God!
All the vain things that charm me most,
I sacrifice them through his blood.
3 See, from his head, his hands, his feet,
sorrow and love flow mingled down.
Did e'er such love and sorrow meet,
or thorns compose so rich a crown?
4 Were the whole realm of nature mine,
that were a present far too small.
Love so amazing, so divine,
demands my soul, my life, my all.
Ds. I. Watts
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Jacobus Kimedoncius schreef: En het is een Goddeloze taal dat allen niet zouden moeten geloven, omdat de belofte en de zaligheid niet tot allen behoort. Nee, omdat de zaligheid alleen de gelovigen eigen is, en dood en veroordeling de ongelovigen, daarom moeten allen zich bekeren en het Evangelie geloven, opdat zij niet zouden vergaan met de wereld, maar het eeuwige leven hebben. Ook wordt deze algemene nodiging in geen enkel opzicht hierdoor gehinderd, dat het zeker is dat velen de aangeboden genade veracht hebben en zullen verachten, aangezien, zoals de Apostel zegt, het geloof niet tot allen behoort, 2 Thess. 3:2, en zoals Christus getuigt, velen geroepen zijn, en weinig gekozen, Matt. 22:14. Want het gebod van de koning is voldoende en groot genoeg voor de dienaars die heengingen om te nodigen: gaat gij heen, en zegt tegen de genodigden: komt, want alle dingen zijn gereed. Roept gij ieder die gij vindt tot de bruiloft, en opnieuw: preekt gij aan ieder schepsel, Mark. 16:15. Aan dit gebod moet de trouwe prediker van gerechtigheid gehoorzaamheid betuigen, of hij nu aangenomen of verworpen wordt, of anders omwille van dit gebod elke tijdelijke tegenstand verdragen. Zo moeten ook de geroepenen zonder uitstel hun roeping gehoorzamen, hoewel velen niet zullen gehoorzamen, want ook zij hebben een gebod, groter dan enig uitstel of weigering hunnerzijds: kom gij, geloof, bekeer u. Vandaag, als u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet, zoals uw vaders deden in de woestijn, Psalm 95:7, 8.
Lees Augustinus over dit punt, tegen Cresconium grammaticum, boek 1, hoofdstuk 5 en 6, waar hij door verschillende getuigenissen van de Schrift uitdrukkelijk toont dat de waarheid zelfs gepreekt moet worden aan diegenen die niet zullen horen. De Heere zegt in het Evangelie: als gij ingaat, zegt: vrede zij dit huis. Als diegenen die daarin zijn waardig zullen zijn, dan zal uw vrede op hen blijven, indien niet, dan zal zij tot u terugkeren, Matt. 10:12, 13. Verzekerde Hij hen dat diegenen aan wie zij de vrede zouden preken de vrede zouden ontvangen? Toch toonde Hij dat vrede zonder uitstel gepreekt moet worden, zelfs aan diegenen die daar niet mee in zouden stemmen.
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
God redt zondaren. Hierin ligt het wonder van de genade: God redt zondaren door Jezus Christus; Jezus is de Middelaar van de genade; God redt zondaren in Jezus Christus – door hen met Hem te verenigen in Zijn opgestane heerlijkheid – God redt zondaren. Van begin tot einde is de zaligheid des HEEREN. Hij Die het werk begonnen is door verkiezing, verlossing en de gave van het geloof, kan worden vertrouwd dat Hij het zal voleindigen voor alle gelovigen. Hierin ligt de vastheid van de genade, en tevens het punt waarop de kennis van Gods verkiezing troost en kracht geeft.
Ds. J.I. Packer
Ds. J.I. Packer
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
De godzalige overdenking van de predestinatie en onze verkiezing in Christus is voor godzalige personen vol zoete, aangename en onuitsprekelijke troost, namelijk voor hen die in zichzelf de werking van de Geest van Christus gevoelen, Die de werken van het vlees en hun aardse leden doodt en hun gedachten opheft tot hoge en hemelse dingen; zowel omdat zij hun geloof in de eeuwige zaligheid, die door Christus genoten wordt, krachtig bevestigt en versterkt, alsook omdat zij hun liefde tot God vurig ontsteekt.
Ds. T. Cranmer (1489-1556)
Ds. T. Cranmer (1489-1556)
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Christus kan innig liefhebben en tegelijk zwaar verzoeken. Zijn liefde bestaat niet daarin dat Hij zijn Kerk voortdurend in zijn boezem neemt en haar zonder ophouden tussen zijn borsten legt; ja, verzoeking vloeit voort uit de liefde van God en is geen daad van louter gerechtigheid, ja zelfs wanneer Hij wraak neemt over de daden van zijn volk (want een voldoening-gevende gerechtigheid kan Hij niet uitoefenen tegenover zijn uitverkorenen; maar een tuchtigende en bestraffende gerechtigheid kan Hij wel en oefent Hij ook over hen uit), toch heeft dit zijn oorsprong in liefde.
Alle raderen van Gods bestuur, hetzij zoet hetzij bitter, draaien op deze as van vrije liefde: de innerlijke ontferming van Christus werkt, beweegt en brengt alle bedelingen tot de heiligen voort door geen ander kanaal dan vrije en tedere barmhartigheid, zodat de genade een onmiddellijke werking heeft, zelfs wanneer de Heere zijn Kerk teistert met bloedige oorlogen. En wat wonderlijk is: de barmhartigheid is Christus’ wapendrager, en de barmhartigheid doodt zelfs onmiddellijk, ook wanneer de dood door de vensters klimt en het huis van de gelovige binnengaat, hetzij in een pest die zichtbaar niet van enig schepsel of tweede oorzaak komt, hetzij door het woedende zwaard, wanneer “de lijken der mensen vallen als mest op het open veld, en als een handvol na de maaier, en niemand is er die ze begraaft” (Jer. 9:21–22).
De verzoekende barmhartigheid is wijze barmhartigheid; het zou geen verzoekende barmhartigheid zijn als wij alle verborgenheden van de liefde en de redenen zagen waarom de Heere Sion met bloed bouwt. Zelfs de uitverkorenen en geliefden van God, hoewel zij in het hof van Christus verkeren, zijn niet altijd in zijn raad (Joh. 13:7). Velen zijn binnen de muren van het paleis die niet in de koninklijke zaal zijn en niet zijn binnengeleid in zijn wijnhuis.
De liefde van Christus heeft haar eigen verborgenheden en onbekende geheimen; waarom de ene heilige naar de hemel wordt geleid en — in de ogen van mensen — “de lamp van de Almachtige op zijn tent schijnt en hij zijn voeten wast in olie,” zodat hij rijk, heilig en voorspoedig is; en waarom een ander, die niet minder door Christus bemind wordt, nooit lacht voordat hij binnen de poorten van de hemel is, maar al zijn dagen het brood der smart eet en wiens gezicht nooit opdroogt voordat hij in de heerlijkheid is — dat is een geheim van de hemel.
De liefde van Christus is vaak bedekt en verborgen, en wij weten niet wat Hij bedoelt; maar Hij haast Zich om barmhartigheid te bewijzen.
Ds. S. Rutherford
Alle raderen van Gods bestuur, hetzij zoet hetzij bitter, draaien op deze as van vrije liefde: de innerlijke ontferming van Christus werkt, beweegt en brengt alle bedelingen tot de heiligen voort door geen ander kanaal dan vrije en tedere barmhartigheid, zodat de genade een onmiddellijke werking heeft, zelfs wanneer de Heere zijn Kerk teistert met bloedige oorlogen. En wat wonderlijk is: de barmhartigheid is Christus’ wapendrager, en de barmhartigheid doodt zelfs onmiddellijk, ook wanneer de dood door de vensters klimt en het huis van de gelovige binnengaat, hetzij in een pest die zichtbaar niet van enig schepsel of tweede oorzaak komt, hetzij door het woedende zwaard, wanneer “de lijken der mensen vallen als mest op het open veld, en als een handvol na de maaier, en niemand is er die ze begraaft” (Jer. 9:21–22).
De verzoekende barmhartigheid is wijze barmhartigheid; het zou geen verzoekende barmhartigheid zijn als wij alle verborgenheden van de liefde en de redenen zagen waarom de Heere Sion met bloed bouwt. Zelfs de uitverkorenen en geliefden van God, hoewel zij in het hof van Christus verkeren, zijn niet altijd in zijn raad (Joh. 13:7). Velen zijn binnen de muren van het paleis die niet in de koninklijke zaal zijn en niet zijn binnengeleid in zijn wijnhuis.
De liefde van Christus heeft haar eigen verborgenheden en onbekende geheimen; waarom de ene heilige naar de hemel wordt geleid en — in de ogen van mensen — “de lamp van de Almachtige op zijn tent schijnt en hij zijn voeten wast in olie,” zodat hij rijk, heilig en voorspoedig is; en waarom een ander, die niet minder door Christus bemind wordt, nooit lacht voordat hij binnen de poorten van de hemel is, maar al zijn dagen het brood der smart eet en wiens gezicht nooit opdroogt voordat hij in de heerlijkheid is — dat is een geheim van de hemel.
De liefde van Christus is vaak bedekt en verborgen, en wij weten niet wat Hij bedoelt; maar Hij haast Zich om barmhartigheid te bewijzen.
Ds. S. Rutherford
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Beschouwt de droefheid van Jezus en de tranen, die Hij stortte in de dagen Zijns vleses; doch daarom droogde Zijn Vader die en veegde het bloed en zweet van Zijn aangezicht en zette Hem in een paleis, waar Hij nooit meer tranen zou storten en sterven. Doet dan, zoals Jezus deed; en waarom? Omdat nooit iemand het in zijn lange vermoeiende loopbaan kon uithouden dan hij, die een gezicht van de hemel kreeg.
Ziet, waarom Abraham in tenten woonde en Mozes liever verkoos met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben." (Hebr. XI: 9, 25). Zij kregen een gezicht, dat iedereen niet krijgt te zien. Gij weet, dat, als een man, die zeven jaren van huis is geweest, weer thuis komt en de rook van zijn huis ziet, dat zijn hart een voet hoger in hem oprijst dan tevoren.
Wilt gij lopen? Krijgt de stad in het oog; krijgt het vooruitzicht van Christus, de vreugde te zien, die u is voorgesteld; krijgt het onderpand der erfenis, en de koop zal u nooit berouwen. Gelijk al wie zin in de hemel heeft en in blinde ijver een poosje loopt, zodat hij zich in het zweet loopt en dan kreupel wordt, evenals een paard, dat na een vermoeiende rit niet goed verzorgd is, zo zijn wij, die de hemel nooit van verre door het geloof hebben gezien; doch het zien van de prijs doet de loper hard lopen en springen.
O! wat wrocht deze vreugde, die Hem voorgesteld was? Zij deed Hem het kruis verdragen; Zijn Vader legde het kruis op Zijn rug en Hij droeg het drie en dertig jaren en Hij deed nooit de minste poging om het van Zich af te schudden. O! welke kruisen! Nooit werd iemand behandeld zoals Hij; want sommigen zijn onder enkele kruisen en zij zijn vrij van andere.
Toen de duivel en de mensen Job sloegen, zegende de Heere hem en ondersteunde hem; doch op Jezus vielen allen tegelijk aan: God, de mensen, de duivelen, de wet, de rechtvaardigheid, de zonde en de vloek! Gij kunt mij niet zeggen welke vertroosting Christus had toen Hij uitriep: Mijn God, Mijn God; dat was een pijnlijke slag voor Hem.
O! het vuur was toen heet; doch toen Christus in deze duistere nacht in Zijn kerker was, was er een opening, waardoor Hij de dag kon zien. Hij had Zijn oog door het geloof gericht op de hoop der vreugde van de schone dag, die voor Hem was. Hij had toen een stormachtige, donkere dag; alle wolken van donkerheid omringden Hem; doch Hij zeide bij zichzelf: Er zal een schone dag voor Mij aanbreken, wanneer dit boze weer voorbij is.
Samuel Rutherford
Ziet, waarom Abraham in tenten woonde en Mozes liever verkoos met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben." (Hebr. XI: 9, 25). Zij kregen een gezicht, dat iedereen niet krijgt te zien. Gij weet, dat, als een man, die zeven jaren van huis is geweest, weer thuis komt en de rook van zijn huis ziet, dat zijn hart een voet hoger in hem oprijst dan tevoren.
Wilt gij lopen? Krijgt de stad in het oog; krijgt het vooruitzicht van Christus, de vreugde te zien, die u is voorgesteld; krijgt het onderpand der erfenis, en de koop zal u nooit berouwen. Gelijk al wie zin in de hemel heeft en in blinde ijver een poosje loopt, zodat hij zich in het zweet loopt en dan kreupel wordt, evenals een paard, dat na een vermoeiende rit niet goed verzorgd is, zo zijn wij, die de hemel nooit van verre door het geloof hebben gezien; doch het zien van de prijs doet de loper hard lopen en springen.
O! wat wrocht deze vreugde, die Hem voorgesteld was? Zij deed Hem het kruis verdragen; Zijn Vader legde het kruis op Zijn rug en Hij droeg het drie en dertig jaren en Hij deed nooit de minste poging om het van Zich af te schudden. O! welke kruisen! Nooit werd iemand behandeld zoals Hij; want sommigen zijn onder enkele kruisen en zij zijn vrij van andere.
Toen de duivel en de mensen Job sloegen, zegende de Heere hem en ondersteunde hem; doch op Jezus vielen allen tegelijk aan: God, de mensen, de duivelen, de wet, de rechtvaardigheid, de zonde en de vloek! Gij kunt mij niet zeggen welke vertroosting Christus had toen Hij uitriep: Mijn God, Mijn God; dat was een pijnlijke slag voor Hem.
O! het vuur was toen heet; doch toen Christus in deze duistere nacht in Zijn kerker was, was er een opening, waardoor Hij de dag kon zien. Hij had Zijn oog door het geloof gericht op de hoop der vreugde van de schone dag, die voor Hem was. Hij had toen een stormachtige, donkere dag; alle wolken van donkerheid omringden Hem; doch Hij zeide bij zichzelf: Er zal een schone dag voor Mij aanbreken, wanneer dit boze weer voorbij is.
Samuel Rutherford
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Ik ga de eeuwigheid in; en het is mij zoet om aan de eeuwigheid te denken; het oneindige ervan maakt het zo zoet. Maar och, wat zal ik zeggen van de toekomst van de goddelozen! De gedachte is te verschrikkelijk!
David Brainerd op zijn sterfbed
David Brainerd op zijn sterfbed
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield
- J.C. Philpot
- Berichten: 11067
- Lid geworden op: 22 dec 2006, 15:08
Re: Gelezen (geloofsopbouwend)
Een aantal citaten over de verhouding van Wet en Evangelie toegespitst op de Wet als kenbron van zonde.
Het eerste citaat is van John Bunyan (1628-1688) en vinden we in zijn boek The Saints’ Privilege and Profit Or, The Throne of Grace (Het voorrecht en de winst van de heilige, of de troon van genade).
‘Een aanblik van de vuiligheid, en een besef van de schuld van de zonde, maakt vergeving voor een ziel meer dan een nietszeggend idee; en maakt het middel waardoor de vergeving tot stand komt meer begerenswaardig dan leven of ledematen. Dit is het, dat de verstandige ziel de Heere Jezus doet prijzen, terwijl de zelfgerechtvaardigde Hem uitlacht om Hem te verachten. Dit is het, wat de ontwaakte zondaar zijn eigen gerechtigheid doet verwerpen, terwijl de verwaande haar tot zijn voorspraak bij de Vader maakt.’
*
Het tweede citaat komt uit een brief van Selina Hastings (1707-1791), de vrouw van de negende graaf van Huntingdon. Zij schreef hem aan de Anglicaanse predikant Henry Venn (1724-1797). Deze brief was het middel waardoor deze predikant meer zicht kreeg op de vrijheid van de kinderen van God.
‘O mijn vriend, wij kunnen niet aan de eisen van een door ons overtreden wet voldoen – wij hebben geen innerlijke heiligheid in onszelf waarmee wij voor God kunnen bestaan; de Heere Jezus Christus is ‘de HEERE onze gerechtigheid’. Klem u daarom niet vast aan zulke arme eerste beginselen, aan zulke wegwerpelijke klederen – slechts spinnenwebben van farizeïstische trots – maar zie toch op Hem Die een volkomen gerechtigheid voor Zijn volk heeft verworven.
U vindt het een moeilijke opgave om naakt en ellendig tot Christus te komen, ontdaan van elke vorm van aanbeveling maar slechts verdorvenheid en schuld bezittend, en om zo vanuit de uitgestrekte handen van onze goddelijke Immanuël de rijkdommen, ja de overvloeiende rijkdommen van verlossende genade te ontvangen. Maar als u komt, moet u zo komen en niet anders, zoals de moordenaar aan het kruis, de roep van uw hart moet zijn: “Heere gedenk mijner.”
Er moeten geen voorwaarden worden gesteld. Christus en Christus alleen moet de enige Middelaar zijn tussen God en mensen. Er kunnen geen armzalige plichtplegingen gesteld worden tussen Christus en de zondaar. Laat het oog van het geloof altijd gericht zijn op de Heere Jezus Christus (…)
En nu, mijn geliefde vriend, laat niet langer een valse leer uw preekstoel ontsieren. Preek Christus de Gekruisigde als de enige grond van hoop voor de zondaar. Predik hem als de Leidsman en Voleinder van het geloof, alsook als het enige Voorwerp van het geloof – dat geloof dat een gave van God is. Spoor zondaren die nog zonder Christus zijn aan om onmiddellijk tot deze Vrijstad te vluchten, om op Hem te zien Die verhoogd is tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving van zonden. Ga zo voort en moge uw boog in kracht blijven.’
*
Het volgende citaat is van John Berridge (1716-1793). Het komt voor in een brief die hij in het voorjaar van 1785 aan Charles Simeon (1759-1836) schreef.
‘Begin met het wakker schudden van je hoorders. Mozes stelt je een scherp mes ter hand dat vaak geslepen moet worden aan zijn slijpsteen. Leg de totale zondigheid van de menselijke natuur bloot, de verduistering van het verstand, de verkeerdheid van het gemoed en aardsgezindheid en zinnelijkheid van de gevoelens. Spreek over de aard van het kwaad van de zonde, het verzet tegen God als onze Weldoener en het verachten van Zijn gezag en liefde.
Verklaar het kwaad van de zonde in haar gevolgen, omdat ze onze ziekten, pijnen en verdriet over ons heeft gebracht, al het kwaad dat wij voelen en al het kwaad dat wij vrezen. (…)
Leg het geestelijk karakter van de wet bloot en haar omvang die elke gedachte, woord en daad betreft en wijs elke overtreding aan of het er een van bedrijf of nalatigheid is. Wijs aan dat het voor de mens volstrekt onmogelijk is zijn natuur te veranderen.
Vergeving van zonde en heiligheid moeten van de Zaligmaker komen. Maak uw hoorders bekend met het allesonderzoekend oog van God. Hij ziet ons altijd en elke gedachte, woord en daad slaat Hij gade en schrijft Hij op in Zijn gedenkboek. Voor elke verborgen daad moet in Gods gericht verantwoording worden afgelegd of hij nu goed is of slecht.
Wanneer uw hoorders zo als het ware geploegd en geëgd zijn en als kleiklonten uiteen beginnen te vallen, leidt hen dan tot Christus en breng Hem vanuit het hart met de lippen tot hen, terwijl je Zijn genade proeft, als je die verkondigt.
Leg de almachtige kracht van de Zaligmaker bloot om het hart te verzachten en het ware bekering te geven, om vergeving te brengen tot een gebroken hart en de geest van gebed tot een biddeloos hart, heiligheid tot een vuil hart en geloof tot een ongelovig hart.
Laat uw hoorders weten dat alle schatten van genade in Christus verborgen zijn ten behoeve van arme, behoeftige zondaren en dat Hij vol van zowel liefde als macht is, dat Hij zondaren niet van Zijn poort wegstuurt maar hen allen die tot Hem komen, vriendelijk ontvangt, ervan houdt hen te zegenen en voor niets al Zijn zegeningen schenkt. (…)
Moedig het volk aan om de genade onmiddellijk, voortdurend en ijverig te zoeken en maak hen duidelijk dat allen die zo zoeken, de zaligheid van God vinden.’
*
Het vierde citaat wordt gevormd door een vijftal vragen en antwoorden in een vragenboekje dat H.F. Kohlbrugge (1803-1875) schreef voor belijdeniscatechisanten.
‘Vr. 13 Weet je iets van God zonder Christus?
Antw. Nee, dan is Hij mij óf onbekend, óf een verterend vuur.
Vr. 14 Hoe wens je dan alleen met God te wandelen of aan Hem te denken?
Antw. Nooit zonder Christus, Zijn lieve Zoon, mijn Heere.
Vr. 15 Waaraan ken je God in Zijn ernst?
Antw. Aan het schrikken van het ontwaakt geweten, aan Zijn toorn in mijn binnenste over mijn zonden.
Vr. 16 Waaraan ken je God geheel in al Zijn goedertierenheid?
Antw. Aan de vergeving van al mijn zonden, Jeremia 31:34, Micha 7:18.
Vr. 17 Wat weet je daarvan ondervindelijk te vertellen?
Antw. Ps. 66:16: Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.’
*
Tot slot een citaat uit een preek van ds. H. Hofman (1902-1975). Hofman diende vanaf 1927 tot aan zijn dood een vrije gemeente in Schiedam. Hij heeft niet eens de basisschool volledig kunnen doorlopen. Toch was hij, al was hij niet universitair geschoold, een echte theoloog die Wet en Evangelie kon onderscheiden en Christus predikte en uitschilderde als de Zaligmaker Die ons verlost van de vloek van de Wet. Mede omdat hij geen universitaire opleiding had genoten, wilde hij geen dominee worden genoemd. Op de preken die in gestencilde vorm van hem uitkwamen, staat: ‘H. Hofman, evangeliedienaar te Schiedam’.
‘Nu moet de Wet zo scherp gepredikt worden, opdat er niets overblijft dan het Evangelie en de leer van vrije genade. Door de Wet komt juist het Evangelie en de genade op waarde. Wie nu het meest weet van zijn verwerpelijkheid, daar kan het meest de genade zoals die in Christus is, openbaar worden. (…)
Zo gaat er dan niets boven de genade Gods, want dat is het enige wat voldoening geeft. De ware blijdschap is alleen in God en in Zijn dierbare Zoon aan te treffen. Immers God is bewogen geweest met ons lot van voor de grondlegging der wereld, en Hij heeft in Zijn Zoon, Die genoemd wordt de tweede Adam, alles verklaard wat wij tot het leven en een eeuwige zaligheid nodig hebben.
Daarom wil ik u opwekken toch zo’n Koning en heerlijk werk op prijs te stellen. Buiten en zonder Hem is het leven een ijdel leven. Ja, de hemel zelf zou geen voldoening geven buiten en zonder Hem. De wereld is toch zo arm. Die geeft niets. Maar bij God is er zo’n onnoemelijke rijkdom te vinden en aan te treffen, dat alles, alles erbij in het niet verzinkt.’
Bron: weblog ds. P. de Vries
Het eerste citaat is van John Bunyan (1628-1688) en vinden we in zijn boek The Saints’ Privilege and Profit Or, The Throne of Grace (Het voorrecht en de winst van de heilige, of de troon van genade).
‘Een aanblik van de vuiligheid, en een besef van de schuld van de zonde, maakt vergeving voor een ziel meer dan een nietszeggend idee; en maakt het middel waardoor de vergeving tot stand komt meer begerenswaardig dan leven of ledematen. Dit is het, dat de verstandige ziel de Heere Jezus doet prijzen, terwijl de zelfgerechtvaardigde Hem uitlacht om Hem te verachten. Dit is het, wat de ontwaakte zondaar zijn eigen gerechtigheid doet verwerpen, terwijl de verwaande haar tot zijn voorspraak bij de Vader maakt.’
*
Het tweede citaat komt uit een brief van Selina Hastings (1707-1791), de vrouw van de negende graaf van Huntingdon. Zij schreef hem aan de Anglicaanse predikant Henry Venn (1724-1797). Deze brief was het middel waardoor deze predikant meer zicht kreeg op de vrijheid van de kinderen van God.
‘O mijn vriend, wij kunnen niet aan de eisen van een door ons overtreden wet voldoen – wij hebben geen innerlijke heiligheid in onszelf waarmee wij voor God kunnen bestaan; de Heere Jezus Christus is ‘de HEERE onze gerechtigheid’. Klem u daarom niet vast aan zulke arme eerste beginselen, aan zulke wegwerpelijke klederen – slechts spinnenwebben van farizeïstische trots – maar zie toch op Hem Die een volkomen gerechtigheid voor Zijn volk heeft verworven.
U vindt het een moeilijke opgave om naakt en ellendig tot Christus te komen, ontdaan van elke vorm van aanbeveling maar slechts verdorvenheid en schuld bezittend, en om zo vanuit de uitgestrekte handen van onze goddelijke Immanuël de rijkdommen, ja de overvloeiende rijkdommen van verlossende genade te ontvangen. Maar als u komt, moet u zo komen en niet anders, zoals de moordenaar aan het kruis, de roep van uw hart moet zijn: “Heere gedenk mijner.”
Er moeten geen voorwaarden worden gesteld. Christus en Christus alleen moet de enige Middelaar zijn tussen God en mensen. Er kunnen geen armzalige plichtplegingen gesteld worden tussen Christus en de zondaar. Laat het oog van het geloof altijd gericht zijn op de Heere Jezus Christus (…)
En nu, mijn geliefde vriend, laat niet langer een valse leer uw preekstoel ontsieren. Preek Christus de Gekruisigde als de enige grond van hoop voor de zondaar. Predik hem als de Leidsman en Voleinder van het geloof, alsook als het enige Voorwerp van het geloof – dat geloof dat een gave van God is. Spoor zondaren die nog zonder Christus zijn aan om onmiddellijk tot deze Vrijstad te vluchten, om op Hem te zien Die verhoogd is tot een Vorst en Zaligmaker om te geven bekering en vergeving van zonden. Ga zo voort en moge uw boog in kracht blijven.’
*
Het volgende citaat is van John Berridge (1716-1793). Het komt voor in een brief die hij in het voorjaar van 1785 aan Charles Simeon (1759-1836) schreef.
‘Begin met het wakker schudden van je hoorders. Mozes stelt je een scherp mes ter hand dat vaak geslepen moet worden aan zijn slijpsteen. Leg de totale zondigheid van de menselijke natuur bloot, de verduistering van het verstand, de verkeerdheid van het gemoed en aardsgezindheid en zinnelijkheid van de gevoelens. Spreek over de aard van het kwaad van de zonde, het verzet tegen God als onze Weldoener en het verachten van Zijn gezag en liefde.
Verklaar het kwaad van de zonde in haar gevolgen, omdat ze onze ziekten, pijnen en verdriet over ons heeft gebracht, al het kwaad dat wij voelen en al het kwaad dat wij vrezen. (…)
Leg het geestelijk karakter van de wet bloot en haar omvang die elke gedachte, woord en daad betreft en wijs elke overtreding aan of het er een van bedrijf of nalatigheid is. Wijs aan dat het voor de mens volstrekt onmogelijk is zijn natuur te veranderen.
Vergeving van zonde en heiligheid moeten van de Zaligmaker komen. Maak uw hoorders bekend met het allesonderzoekend oog van God. Hij ziet ons altijd en elke gedachte, woord en daad slaat Hij gade en schrijft Hij op in Zijn gedenkboek. Voor elke verborgen daad moet in Gods gericht verantwoording worden afgelegd of hij nu goed is of slecht.
Wanneer uw hoorders zo als het ware geploegd en geëgd zijn en als kleiklonten uiteen beginnen te vallen, leidt hen dan tot Christus en breng Hem vanuit het hart met de lippen tot hen, terwijl je Zijn genade proeft, als je die verkondigt.
Leg de almachtige kracht van de Zaligmaker bloot om het hart te verzachten en het ware bekering te geven, om vergeving te brengen tot een gebroken hart en de geest van gebed tot een biddeloos hart, heiligheid tot een vuil hart en geloof tot een ongelovig hart.
Laat uw hoorders weten dat alle schatten van genade in Christus verborgen zijn ten behoeve van arme, behoeftige zondaren en dat Hij vol van zowel liefde als macht is, dat Hij zondaren niet van Zijn poort wegstuurt maar hen allen die tot Hem komen, vriendelijk ontvangt, ervan houdt hen te zegenen en voor niets al Zijn zegeningen schenkt. (…)
Moedig het volk aan om de genade onmiddellijk, voortdurend en ijverig te zoeken en maak hen duidelijk dat allen die zo zoeken, de zaligheid van God vinden.’
*
Het vierde citaat wordt gevormd door een vijftal vragen en antwoorden in een vragenboekje dat H.F. Kohlbrugge (1803-1875) schreef voor belijdeniscatechisanten.
‘Vr. 13 Weet je iets van God zonder Christus?
Antw. Nee, dan is Hij mij óf onbekend, óf een verterend vuur.
Vr. 14 Hoe wens je dan alleen met God te wandelen of aan Hem te denken?
Antw. Nooit zonder Christus, Zijn lieve Zoon, mijn Heere.
Vr. 15 Waaraan ken je God in Zijn ernst?
Antw. Aan het schrikken van het ontwaakt geweten, aan Zijn toorn in mijn binnenste over mijn zonden.
Vr. 16 Waaraan ken je God geheel in al Zijn goedertierenheid?
Antw. Aan de vergeving van al mijn zonden, Jeremia 31:34, Micha 7:18.
Vr. 17 Wat weet je daarvan ondervindelijk te vertellen?
Antw. Ps. 66:16: Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.’
*
Tot slot een citaat uit een preek van ds. H. Hofman (1902-1975). Hofman diende vanaf 1927 tot aan zijn dood een vrije gemeente in Schiedam. Hij heeft niet eens de basisschool volledig kunnen doorlopen. Toch was hij, al was hij niet universitair geschoold, een echte theoloog die Wet en Evangelie kon onderscheiden en Christus predikte en uitschilderde als de Zaligmaker Die ons verlost van de vloek van de Wet. Mede omdat hij geen universitaire opleiding had genoten, wilde hij geen dominee worden genoemd. Op de preken die in gestencilde vorm van hem uitkwamen, staat: ‘H. Hofman, evangeliedienaar te Schiedam’.
‘Nu moet de Wet zo scherp gepredikt worden, opdat er niets overblijft dan het Evangelie en de leer van vrije genade. Door de Wet komt juist het Evangelie en de genade op waarde. Wie nu het meest weet van zijn verwerpelijkheid, daar kan het meest de genade zoals die in Christus is, openbaar worden. (…)
Zo gaat er dan niets boven de genade Gods, want dat is het enige wat voldoening geeft. De ware blijdschap is alleen in God en in Zijn dierbare Zoon aan te treffen. Immers God is bewogen geweest met ons lot van voor de grondlegging der wereld, en Hij heeft in Zijn Zoon, Die genoemd wordt de tweede Adam, alles verklaard wat wij tot het leven en een eeuwige zaligheid nodig hebben.
Daarom wil ik u opwekken toch zo’n Koning en heerlijk werk op prijs te stellen. Buiten en zonder Hem is het leven een ijdel leven. Ja, de hemel zelf zou geen voldoening geven buiten en zonder Hem. De wereld is toch zo arm. Die geeft niets. Maar bij God is er zo’n onnoemelijke rijkdom te vinden en aan te treffen, dat alles, alles erbij in het niet verzinkt.’
Bron: weblog ds. P. de Vries
Man is nothing: he hath a free will to go to hell, but none to go to heaven, till God worketh in him to will and to do of His good pleasure.
George Whitefield
George Whitefield