J.C. Philpot schreef: ↑Gisteren, 12:49
Arja schreef: ↑29 jan 2026, 11:58
J.C. Philpot schreef: ↑29 jan 2026, 09:22
Posthoorn schreef: ↑28 jan 2026, 12:23
Hebr. 10:25
1. Het is de vraag of het daar om de bijeenkomsten van de gemeente gaat.
2. Als dat wél het geval is, is het de vraag of onze bijeenkomsten nog voldoen aan de bijeenkomsten zoals ze bedoeld waren.
Het is voor mij helemaal geen vraag of het daar over de bijeenkomsten van de gemeente op de eerste dag gaat. De primaire bijeenkomst van de nieuw-testamentische gemeente was de samenkomst op de eerste dag der week. Waar het Woord bediend werd, de gebeden, inzamelingen en de viering van het avondmaal. Er zullen zeker verschillen zijn aan te wijzen tussen onze bijeenkomsten, en de bijeenkomsten in de eerste christengemeente. Er zijn in onze tijd ook verschillen onderling. Maar dat doet niet weg dat een christen in een bijbelgetrouwe gemeente hoort. Anders onttrek je je aan de herderlijke zorg die de Heere in Zijn Woord heeft ingesteld door de oudsten, en aan de prediking, waardoor de Heere zondaren wil bekeren en Zijn volk voeden en leiden.
Er zijn zeker situaties dat mensen in een kerk wonen dat er geen bijbelgetrouwe gemeente is. Maar als die er wel is, is een gelovige schuldig zich daarbij te voegen (NGB 28). De bijbel leert dat God het ware geloof werkt door de prediking, dat een ieder die uit God geboren is de broederen liefheeft, en zich onder de leiding van de oudsten moeten voegen, die hiervoor verantwoording af moeten leggen voor God. In iemand zich afscheid van het volk van God, de christelijke gemeente niet wil dienen, en zich niet nederigheid en zachtmoedigheid wil onderwerpen aan het onderwijs van onderherders die door God geroepen zijn, dan zal er in de meeste gevallen een geestelijke oorzaak zijn waarom men dit doet. Ik erken dat er individuele uitzonderingen zijn, en dat er zaken mis kunnen gaan, maar dit is toch wel de bijbelse lijn.
Ik begrijp wat je zegt over Hebreeën 10:25 en de samenkomsten van de gemeente. Voor gelovigen is zich voegen bij de gemeente bijbels en vanzelfsprekend. En daar wil ik op inhaken.
Wat mij in het artikel van Anja Moesker (“Onderzoek naar kerkverlating bracht heling”) treft, is dat kerkverlating daar vaak geen afval van geloof is. Zij schrijft: “Kerkgang en andere geloofspraktijken waren verplicht en ononderhandelbaar.” Dat beschrijft mensen die formeel tot de gemeente behoorden, maar bij wie geen levend geloof is. In iedergeval bij de meesten niet.
Dat verschil is relevant. De gemeente die in Hebreeën wordt aangesproken, bestaat uit gedoopte gelovigen. In onze volkskerk bestaat de gemeente uit gedoopte gelovigen én
gedoopte ongelovigen. Kerkverlating betekent hier dus vaak iets anders dan het zich afscheiden van een gemeenschap van gelovigen, zoals Johannes dat bijvoorbeeld verwoord.
Johannes zegt over mensen die weggaan dat zij “uit ons niet waren” (1 Joh. 2:19). Daarmee wordt vertrek onderscheiden, niet automatisch moreel geduid zoals nu gedaan wordt op Refoforum. Juist daarom vraag ik mij af of Hebreeën 10:25 zonder verdere nuancering één op één kan worden toegepast op kerkverlating. Ik bedoel dan: binnen onze huidige, gemengde kerkpraktijk.
Ik weet dat ik me invoeg in deze discussie met antwoord an @posthoorn, maar de vraag die nu bij mij overblijft is deze:
mag je een gelovigen-gerichte vermaning uit Hebreeën 10:25 zonder meer toepassen op een gemengde volkskerkcontext? En als je dat bevestigend beantwoordt: waarop baseer je die toepassing dan... op de Bijbel zelf, of op latere uitleg en doordenking van de Bijbel?
Ik begrijp je niet in alles wat je zegt, dus mogelijk praat ik langs je heen.
Volkskerkgedachte
Je noemt de volkskerk. Wat de volkskerkgedachte betreft: die vind je vooral terug in de nazaten van de Nederlands Hervormde Kerk, maar hier hebben afscheiden kerken nooit veel mee gehad. Ik ben zelf ook geen volkskerk-man, en kan die bijbels ook niet onderbouwen.
Wedergeboren lidmaatschap
Alleerst ga ik in op je stelling dat de gemeemte om de nieuw-testamentische periode zuiver was (en daarmee bedoel ik dat er alleen maar ware gelovigen toe behoorde). Volgens mij is dat niet zo - ook toen waren er schijngelovigen. De tekst die je aanhaalt (1 Joh. 2:19) bewijst dat er in de gemeente waren, die ten diepste geen gelovigen waren, en die dat lieten zien omdat ze afhaakten. Je kunt dit ook opmaken uit de geschiedenis van Annanias en Safira.
De Heere Jezus leert dat in de gelijkenis van het onkruid tussen het tarwe, dat de wedergeborenen en de goddelozen soms niet volledig van elkaar onderscheiden kunnen worden. De kanttekeningen zeggen in die context:
Hiermede wil Christus niet wegnemen het ambt der overheid in het straffen der boze, Rom. 13:4; noch der kerk in oefenen der tucht, 1 Cor. 5:7, maar geeft te kennen dat men daarin voorzichtigheid moet gebruiken, en dat de huichelaars en de boze niet geheel kunnen geweerd worden, overmits zij van de ware gelovigen somwijlen niet wel kunnen onderscheiden worden, gelijk het brandkoren van het goede koren, als het eerst opkomt, kwalijk kan onderscheiden worden.
Ook in onze tijd bestaat de christelijke kerk niet zuiver uit ware gelovigen. Dat wil zeggen: volgens de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 28 is de kerk "een verzameling is van hen die zalig worden". De schijngelovigen zijn wel uitwendig lid van de kerk of christelijke gemeente, maar horen er ten diepste niet bij: NGB:
Wij spreken hier niet over de huichelaars die in de kerk onder de goeden vermengd zijn, maar intussen niet van de kerk zijn, hoewel zij uiterlijk in haar zijn.
Zowel in de eerste christelijke gemeenten waren er schijngelovigen en huichelaars, en dat is heden ten dage nog net zo. Dat de kerk geen 100% zuiverheid heeft wat dat betreft, en niet 100% uit ware gelovigen bestaat, is geen reden om je niet aan te sluiten bij een christelijke gemeente, en daar trouw in te zijn.
Moeten ongelovigen zich aansluiten bij een kerkelijke gemeente?
Voor hen geld uiteraard dat ze zich eerst dienen te bekeren, en de gave van geloof te ontvangen, voordat ze door belijdenis des geloofs lid kunnen worden van de christelijke gemeente. Anders is de belijdenis een leugen. En kerkleden die in tegenstelling tot hun belijdenis door hun levenswandel laten zien ongelovigen zijn, dienen onder de tucht te worden geplaatst. Verder dienen alle belijdende christenen die daar ook naar leven aangespoort te worden de onderlinge bijeenkomsten niet te verzaken, en zich bij de ware kerk te voegen.
De Schrift maakt onderscheid tussen
huichelaars/schijngelovigen èn
mensen die niet geloven (niet wedergeboren zijn, niet tot Jezus gekomen zijn).
Dat zijn niet dezelfde categorieën. Huichelaars en schijngelovigen worden in het Nieuwe Testament aangesproken als broeders, omdat zij Christus belijden en zich als gelovigen voordoen.
Pas achteraf blijkt dat zij niet werkelijk uit het geloof waren (1 Joh. 2:19).
Dat is juist wat ik zei.
Mijn vraag is eenvoudiger: tot wie richt de Schrift haar vermaning hier?
Naar mijn idee expliciet tot gelovigen.
Hebr. 3:1 “Daarom, heilige broeders, deelgenoten van de hemelse roeping…”
Hebr. 10:19–22 (direct vóór vers 25) “Daar wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus…”
Hebr. 6:9 “Maar wij zijn, geliefden, van betere dingen overtuigd, die met de zaligheid samenhangen, al spreken wij zo.”
Hebr. 10:39 “Wij echter behoren niet tot hen die terugdeinzen tot verderf, maar tot hen die geloven tot behoud van de ziel."
Hebreeën 10:25 is geen oproep aan ongelovigen, maar een vermaning tot volharding gericht aan mensen die als gelovigen worden aangesproken. De tekst zelf blijft een vermaning aan gelovigen om te volharden en niet af te glijden. Zie de hele brief.
Voor mij zit het verschil precies hierin: niet-wedergeboren mensen, reken ik niet tot de schijngelovigen of huichelaars.
En ook niet tot degenen die aangesoroken worden in deze tekst.
De kerk is een plaats waar ook niet-gelovigen het evangelie mogen horen.
Maar vermaningen tot volharding zijn niet tot hen gericht.