Vraag over een bijbeltekst

Gebruikersavatar
samanthi
Berichten: 5136
Lid geworden op: 16 Jul 2009, 10:30
Locatie: rotterdam

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor samanthi » 08 Feb 2020, 16:01

Even naar de letterlijke betekenis gezocht van Baäl, meneer (heer), meester, eigenaar, echtgenoot, bezitter, baas.
dat is best heftig, de betekenis "meneer" is niet zo onschuldig denk ik, het is net als de Heere God.


Arja schreef: Dit is het klassieke voorbeeld van de kerk in de plaats van Israël zetten. De kanttekenaar had hetzelfde onderwerp moeten aanhouden als in de tweede kanttekening van dit hoofdstuk.


Ja dat klopt en is jammer... in de tijd dat de KT geschreven werden, is dat de algemene gedachten, Joden waren verstrooid, ze hadden afgedaan, je ziet het best veel terug in de KT en in verschillende dogma's, maar
Romeinen 11
15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

hier mogen we met verlangen naar uitkijken.
O HEERE, wat is de mens, dat Gij hem kent? Het kind des mensen, dat Gij het acht?

eilander
Moderator
Berichten: 13990
Lid geworden op: 15 Okt 2007, 21:42

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor eilander » 08 Feb 2020, 17:28

samanthi schreef:
Arja schreef: schreef: Dit is het klassieke voorbeeld van de kerk in de plaats van Israël zetten. De kanttekenaar had hetzelfde onderwerp moeten aanhouden als in de tweede kanttekening van dit hoofdstuk.

Ja dat klopt en is jammer... in de tijd dat de KT geschreven werden, is dat de algemene gedachten, Joden waren verstrooid, ze hadden afgedaan, je ziet het best veel terug in de KT en in verschillende dogma's, maar
Romeinen 11
15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

hier mogen we met verlangen naar uitkijken.
In Romeinen 11 geeft de kanttekening wél aan dat het om Israël gaat ('de grote menigte der Joden'). Gelukkig maar.
Of het toen de algemene gedachte was, zoals je stelt, weet ik niet. Wel lees ik dat Vitringa (1659-1722) al zegt dat niemand mene dat deze gedachten nieuw zijn. Hij noemt diverse 'geleerde en godvruchtige mannen, die na de Hervorming zijn opgestaan' die hierover spreken. Wel zegt hij dat er veel uitleggers 'der middeleeuwen, voornamelijk bewogen door het gezag van Augustinus' inderdaad vooral een geestelijke uitleg gaven aan deze teksten.

Gebruikersavatar
samanthi
Berichten: 5136
Lid geworden op: 16 Jul 2009, 10:30
Locatie: rotterdam

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor samanthi » 08 Feb 2020, 19:20

eilander schreef:
samanthi schreef:
Arja schreef: schreef: Dit is het klassieke voorbeeld van de kerk in de plaats van Israël zetten. De kanttekenaar had hetzelfde onderwerp moeten aanhouden als in de tweede kanttekening van dit hoofdstuk.

Ja dat klopt en is jammer... in de tijd dat de KT geschreven werden, is dat de algemene gedachten, Joden waren verstrooid, ze hadden afgedaan, je ziet het best veel terug in de KT en in verschillende dogma's, maar
Romeinen 11
15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

hier mogen we met verlangen naar uitkijken.
In Romeinen 11 geeft de kanttekening wél aan dat het om Israël gaat ('de grote menigte der Joden'). Gelukkig maar.
Of het toen de algemene gedachte was, zoals je stelt, weet ik niet. Wel lees ik dat Vitringa (1659-1722) al zegt dat niemand mene dat deze gedachten nieuw zijn. Hij noemt diverse 'geleerde en godvruchtige mannen, die na de Hervorming zijn opgestaan' die hierover spreken. Wel zegt hij dat er veel uitleggers 'der middeleeuwen, voornamelijk bewogen door het gezag van Augustinus' inderdaad vooral een geestelijke uitleg gaven aan deze teksten.

Ja daar gelukkig wel, maar het is nmbm nog rijker, het is de hele natie.
O HEERE, wat is de mens, dat Gij hem kent? Het kind des mensen, dat Gij het acht?

Gebruikersavatar
pierre27
Berichten: 2073
Lid geworden op: 10 Sep 2005, 12:00
Locatie: Eemvallei

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor pierre27 » 08 Feb 2020, 21:31

eilander schreef:
samanthi schreef:
Arja schreef: schreef: Dit is het klassieke voorbeeld van de kerk in de plaats van Israël zetten. De kanttekenaar had hetzelfde onderwerp moeten aanhouden als in de tweede kanttekening van dit hoofdstuk.

Ja dat klopt en is jammer... in de tijd dat de KT geschreven werden, is dat de algemene gedachten, Joden waren verstrooid, ze hadden afgedaan, je ziet het best veel terug in de KT en in verschillende dogma's, maar
Romeinen 11
15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

hier mogen we met verlangen naar uitkijken.
In Romeinen 11 geeft de kanttekening wél aan dat het om Israël gaat ('de grote menigte der Joden'). Gelukkig maar.
Of het toen de algemene gedachte was, zoals je stelt, weet ik niet. Wel lees ik dat Vitringa (1659-1722) al zegt dat niemand mene dat deze gedachten nieuw zijn. Hij noemt diverse 'geleerde en godvruchtige mannen, die na de Hervorming zijn opgestaan' die hierover spreken. Wel zegt hij dat er veel uitleggers 'der middeleeuwen, voornamelijk bewogen door het gezag van Augustinus' inderdaad vooral een geestelijke uitleg gaven aan deze teksten.


Is het niet dat in de genoemde tekst uit Hosea de kerk uit Jood en heiden bedoeld gaat worden?
Zalig is de mens, welken de Heere de zonden niet toerekent.

Gebruikersavatar
samanthi
Berichten: 5136
Lid geworden op: 16 Jul 2009, 10:30
Locatie: rotterdam

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor samanthi » 08 Feb 2020, 21:49

pierre27 schreef:
eilander schreef:
samanthi schreef:
Arja schreef: schreef: Dit is het klassieke voorbeeld van de kerk in de plaats van Israël zetten. De kanttekenaar had hetzelfde onderwerp moeten aanhouden als in de tweede kanttekening van dit hoofdstuk.

Ja dat klopt en is jammer... in de tijd dat de KT geschreven werden, is dat de algemene gedachten, Joden waren verstrooid, ze hadden afgedaan, je ziet het best veel terug in de KT en in verschillende dogma's, maar
Romeinen 11
15 Want indien hun verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de doden?

hier mogen we met verlangen naar uitkijken.
In Romeinen 11 geeft de kanttekening wél aan dat het om Israël gaat ('de grote menigte der Joden'). Gelukkig maar.
Of het toen de algemene gedachte was, zoals je stelt, weet ik niet. Wel lees ik dat Vitringa (1659-1722) al zegt dat niemand mene dat deze gedachten nieuw zijn. Hij noemt diverse 'geleerde en godvruchtige mannen, die na de Hervorming zijn opgestaan' die hierover spreken. Wel zegt hij dat er veel uitleggers 'der middeleeuwen, voornamelijk bewogen door het gezag van Augustinus' inderdaad vooral een geestelijke uitleg gaven aan deze teksten.


Is het niet dat in de genoemde tekst uit Hosea de kerk uit Jood en heiden bedoeld gaat worden?


eerst de Jood, maar ook de Griek
O HEERE, wat is de mens, dat Gij hem kent? Het kind des mensen, dat Gij het acht?

Gebruikersavatar
pierre27
Berichten: 2073
Lid geworden op: 10 Sep 2005, 12:00
Locatie: Eemvallei

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor pierre27 » 08 Feb 2020, 21:54

Mooi wat Matthew Henry over dit gedeelte zegt:

Het maakt de troost van ons verbond met God sterker, dat daarin is een gemeenschap van de heiligen, die, hoezeer ook velen, toch daarin één zijn. Het heet niet: Ik zal tot hen zeggen: Gijlieden, (meervoud) zijt Mijn volk, maar Gij (enkelvoud) zijt ‘t. Want Hij ziet ze aan als allen één in Christus, en als zodanig spreekt Hij met hen en gaat een verbond met hen aan. En zij, van hun kant, zeggen niet alleen: Gij zijt mijn God, maar ook: Gij zijt onze God, want zien zich aan voor één lichaam en begeren, één van zin, en met één mond Hem te verheerlijken. Ook kan het betekenen, dat Hij in Israël een verbond maakte met het ganse volk, maar onder het Nieuwe Verbond, met de afzonderlijke gelovigen en betuigt ieders God, ook de God van de geringste, te zijn, zo goed als Hij toen zeide tot de vele duizenden van Israël: Gij zijt Mijn volk. Hij nodigt ieder uit en dringt ieder er toe, te zeggen: Gij zijt mijn God en daarin te roemen gelijk Mozes en gans Israël deed Exod.15:1 {#Ex 15.1}. Hij is mijn God en mijns Vaders God.
Zalig is de mens, welken de Heere de zonden niet toerekent.

Gebruikersavatar
samanthi
Berichten: 5136
Lid geworden op: 16 Jul 2009, 10:30
Locatie: rotterdam

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor samanthi » 08 Feb 2020, 22:19

Romeinen 10 : 21 Maar tegen Israël zegt hij: Den gehelen dag heb Ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.
Romeinen 11
1 IK zeg dan: Heeft God Zijn volk verstoten? Dat zij verre; want ik ben ook een Israëliet, uit het zaad Abrahams, van den stam van Benjamin.

17 En zo enige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver plaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mededeelachtig zijt geworden,
18 Zo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.
19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zou ingeënt worden.
20 Het is wel; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Zijt niet hooggevoelende, maar vrees.
21 Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat Hij ook mogelijk u niet spare.
O HEERE, wat is de mens, dat Gij hem kent? Het kind des mensen, dat Gij het acht?

Pioenroosje
Berichten: 175
Lid geworden op: 24 Mei 2018, 14:35

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Pioenroosje » 08 Feb 2020, 23:16

Paulus trekt wel de lijn dat hij de woorden in Hosea betrekt op de heidenen. Of lees ik dan niet goed?

Romeinen 9
24Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
25Zoals Hij ook in Hosea zegt: Hos. 2:22Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.
26En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: Hos. 1:10; 1 Petr. 2:10U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.

Arja
Berichten: 910
Lid geworden op: 30 Mei 2019, 15:57

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Arja » 08 Feb 2020, 23:38

Pioenroosje schreef:Paulus trekt wel de lijn dat hij de woorden in Hosea betrekt op de heidenen. Of lees ik dan niet goed?

Romeinen 9
24 Hen heeft Hij ook geroepen, namelijk ons, niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.
25Zoals Hij ook in Hosea zegt: Hos. 2:22Ik zal Niet-Mijn-volk noemen: Mijn volk, en de Niet-geliefde: Geliefde.
26En het zal zijn dat op de plaats waar tegen hen gezegd was: Hos. 1:10; 1 Petr. 2:10U bent Niet-Mijn-volk, daar zullen zij kinderen van de levende God genoemd worden.



Het citeren van Hosea 2 vers 22 maakt duidelijk dat, hoewel genade zonder enig onderscheid wordt bewezen aan Jood en heiden, er voor de Jood toch een aparte zegen overblijft. Die zegen is: herstel in zijn land.

Ook Petrus haalt in zijn eerste brief Hosea 2 vers 22 aan. Hij belicht weer een ander aspect. Uit zijn brief blijkt (hoofdstuk 1 vers 1) dat hij schrijft aan bekeerde Joden in de verstrooiing. Hij schrijft hun: ‘U dan, die gelooft, is Hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De Steen, Dien de bouwlieden verworpen hebben, Deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, en een rots der ergernis; Dengenen namelijk, die zich aan het Woord stoten, ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn. Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht; Gij, die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden’ (1 Petrus 2 vers 7-10).

Het laatste deel van dit vers verwijst duidelijk naar Hosea 2 vers 22. Petrus wilde hiermee duidelijk maken dat de gelovige Joden aan wie hij schreef, toen al in de betrekking tot God stonden die het hele volk pas in de toekomst zal hebben. Als Joden van nature stonden ze onder het oordeel dat God in Hosea had bekendgemaakt. Als bekeerde Joden waren ze al als Gods volk aangenomen en hadden ze zijn barmhartigheid reeds verkregen. Dat ze door hun geloof in de Heer Jezus bij de gemeente waren gevoegd is ook waar, maar dat feit wordt hier niet door Petrus genoemd. Het is hem erom te doen, zijn Joodse broeders te laten zien wat zij, door het geloof in de Messias, van God hadden ontvangen.

Bron: Hosea (G. de Koning)

Arja
Berichten: 910
Lid geworden op: 30 Mei 2019, 15:57

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Arja » 08 Feb 2020, 23:41

pierre27 schreef:Mooi wat Matthew Henry over dit gedeelte zegt:

Het maakt de troost van ons verbond met God sterker, dat daarin is een gemeenschap van de heiligen, die, hoezeer ook velen, toch daarin één zijn. Het heet niet: Ik zal tot hen zeggen: Gijlieden, (meervoud) zijt Mijn volk, maar Gij (enkelvoud) zijt ‘t. Want Hij ziet ze aan als allen één in Christus, en als zodanig spreekt Hij met hen en gaat een verbond met hen aan. En zij, van hun kant, zeggen niet alleen: Gij zijt mijn God, maar ook: Gij zijt onze God, want zien zich aan voor één lichaam en begeren, één van zin, en met één mond Hem te verheerlijken. Ook kan het betekenen, dat Hij in Israël een verbond maakte met het ganse volk, maar onder het Nieuwe Verbond, met de afzonderlijke gelovigen en betuigt ieders God, ook de God van de geringste, te zijn, zo goed als Hij toen zeide tot de vele duizenden van Israël: Gij zijt Mijn volk. Hij nodigt ieder uit en dringt ieder er toe, te zeggen: Gij zijt mijn God en daarin te roemen gelijk Mozes en gans Israël deed Exod.15:1 {#Ex 15.1}. Hij is mijn God en mijns Vaders God.


Matthew Henry vervangt Israel niet door de kerk maar hij vindt het moeilijk om onderscheid te maken tussen Israël en de ecclesia. Dat betekent dat hij een 'voortdurende verbondsgemeenschap' ziet die hij de 'kerk' noemt.

Gebruikersavatar
pierre27
Berichten: 2073
Lid geworden op: 10 Sep 2005, 12:00
Locatie: Eemvallei

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor pierre27 » 09 Feb 2020, 00:43

Arja schreef:
pierre27 schreef:Mooi wat Matthew Henry over dit gedeelte zegt:

Het maakt de troost van ons verbond met God sterker, dat daarin is een gemeenschap van de heiligen, die, hoezeer ook velen, toch daarin één zijn. Het heet niet: Ik zal tot hen zeggen: Gijlieden, (meervoud) zijt Mijn volk, maar Gij (enkelvoud) zijt ‘t. Want Hij ziet ze aan als allen één in Christus, en als zodanig spreekt Hij met hen en gaat een verbond met hen aan. En zij, van hun kant, zeggen niet alleen: Gij zijt mijn God, maar ook: Gij zijt onze God, want zien zich aan voor één lichaam en begeren, één van zin, en met één mond Hem te verheerlijken. Ook kan het betekenen, dat Hij in Israël een verbond maakte met het ganse volk, maar onder het Nieuwe Verbond, met de afzonderlijke gelovigen en betuigt ieders God, ook de God van de geringste, te zijn, zo goed als Hij toen zeide tot de vele duizenden van Israël: Gij zijt Mijn volk. Hij nodigt ieder uit en dringt ieder er toe, te zeggen: Gij zijt mijn God en daarin te roemen gelijk Mozes en gans Israël deed Exod.15:1 {#Ex 15.1}. Hij is mijn God en mijns Vaders God.


Matthew Henry vervangt Israel niet door de kerk maar hij vindt het moeilijk om onderscheid te maken tussen Israël en de ecclesia. Dat betekent dat hij een 'voortdurende verbondsgemeenschap' ziet die hij de 'kerk' noemt.


Wat hij schrijft is uitermate duidelijk!
Zalig is de mens, welken de Heere de zonden niet toerekent.

Arja
Berichten: 910
Lid geworden op: 30 Mei 2019, 15:57

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Arja » 10 Feb 2020, 08:42

pierre27 schreef:
Arja schreef:
pierre27 schreef:Mooi wat Matthew Henry over dit gedeelte zegt:

Het maakt de troost van ons verbond met God sterker, dat daarin is een gemeenschap van de heiligen, die, hoezeer ook velen, toch daarin één zijn. Het heet niet: Ik zal tot hen zeggen: Gijlieden, (meervoud) zijt Mijn volk, maar Gij (enkelvoud) zijt ‘t. Want Hij ziet ze aan als allen één in Christus, en als zodanig spreekt Hij met hen en gaat een verbond met hen aan. En zij, van hun kant, zeggen niet alleen: Gij zijt mijn God, maar ook: Gij zijt onze God, want zien zich aan voor één lichaam en begeren, één van zin, en met één mond Hem te verheerlijken. Ook kan het betekenen, dat Hij in Israël een verbond maakte met het ganse volk, maar onder het Nieuwe Verbond, met de afzonderlijke gelovigen en betuigt ieders God, ook de God van de geringste, te zijn, zo goed als Hij toen zeide tot de vele duizenden van Israël: Gij zijt Mijn volk. Hij nodigt ieder uit en dringt ieder er toe, te zeggen: Gij zijt mijn God en daarin te roemen gelijk Mozes en gans Israël deed Exod.15:1 {#Ex 15.1}. Hij is mijn God en mijns Vaders God.


Matthew Henry vervangt Israel niet door de kerk maar hij vindt het moeilijk om onderscheid te maken tussen Israël en de ecclesia. Dat betekent dat hij een 'voortdurende verbondsgemeenschap' ziet die hij de 'kerk' noemt.


Wat hij schrijft is uitermate duidelijk!


Matthew Henry schrijft:

Ook kan het betekenen, dat Hij in Israël een verbond maakte met het ganse volk, maar onder het Nieuwe Verbond, met de afzonderlijke gelovigen en betuigt ieders God, ook de God van de geringste.


Ik vind dat heel mooi gezegd. Als je het over het Nieuwe Verbond wilt hebben, zoals het functioneert vanaf het Bijbelboek Handelingen, dan ben ik het met Matthew Henry's citaat eens. Dat ook afzonderlijke gelovigen uit de heidenen daartoe mogen behoren. Hij is ieders God, ook de God van de geringste. Hoofd voor hoofd. Een iegelijk die Hij daartoe roepen zal. Een iegelijk, die in Jezus gelooft, zal niet verloren gaan en wordt door het geloof deelgenoot gemaakt van het Nieuwe Verbond.

1. Roemen zoals Mozes deed in Exodus 15 (zie citaat Matthew Henry) is geen loflied voor ons als heidenen. Het is nog steeds een lied voor Israël. Er is een enorme strijd om het land gaande maar de HEERE zal in eeuwigheid en geduriglijk regeren (vers 15)

2. Stukjes uit de lofzang zijn wel waarheden die door iedereen bejubeld mogen worden.

3. Wij kunnen niet zeggen: Hij is mijns vaders God, zoals Mozes en de kinderen van Israel dat zingen i Exodus 15 (de God van onze voorvaderen). Of je moet Joodse voorvaderen hebben. Dan gaat het wel voor je op. Onze voorvaderen waren afgodendienaars en niet Joods.

Wij, gelovigen uit de heidenen, mogen roemen met Paulus: "Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil."

Dat is het in-zijn in het Nieuwe Verbond.
Maar in Hosea's tijd was daar nog geen spraken van.
In Mozes tijd ook niet.
De Messias was beloofd maar nog niet gekomen.

Arja
Berichten: 910
Lid geworden op: 30 Mei 2019, 15:57

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Arja » 10 Feb 2020, 10:02

Mara schreef:Deze tekst

Daarom, zie, Ikzelf ga haar lokken, haar de woestijn in leiden, en naar haar hart spreken. Ik zal haar daarvandaan haar wijngaarden geven, en het Dal van Achor tot een deur van hoop. Daar zal zij zingen als in de dagen van haar jeugd, als op de dag dat zij wegtrok uit het land Egypte. Op die dag zal het gebeuren, spreekt de HEERE, dat u Mij zult noemen: mijn Man, en Mij niet meer zult noemen: mijn Baäl! Dan zal Ik de namen van de Baäls uit haar mond wegdoen en aan hun namen zal niet meer gedacht worden.


De relatie tussen God en het Joodse volk wordt in de Tanach vaak vergeleken met de relatie tussen een man en een vrouw. Er staat eigenlijk : “Het zal op die dag zijn dat je zult 'ishi' (mijn man) zult zeggen en je zult niet langer 'baali' (mijn meester) zeggen. Ishi is een uitdrukking is van prille liefde in een huwelijksrelatie, terwijl "baali" een uitdrukking is van heerschappij en angst. De betekenis is dan: Je zult Mij aanbidden uit liefde en niet uit angst.

Hosea 2 (het stukje dat je noemt over woestijn en dal) heeft parallelteksten in Ezechiel 20. Neem je die bij elkaar dan is dat meer verduidelijkend:
Daartoe zal Ik u brengen in de woestijn der volken, en Ik zal met u aldaar rechten, aangezicht aan aangezicht; Gelijk als Ik gerecht heb met uw vaderen in de woestijn van Egypteland, alzo zal Ik met u rechten, spreekt de Heere HEERE. En Ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en Ik zal u brengen onder den band des verbonds. Daartoe zal Ik, die rebel zijn, en die tegen Mij overtreden, uit ulieden uitzuiveren; Ik zal hen uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israëls niet weder komen, en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben. Etc.

1. Deur der hoop: In de diepte van de ballingschap, zal Ik haar geven een deur van hoop (een verwachting van hoop), want temidden van die problemen zal het overblijfsel de moed krijgen om naar Mij terug keren.
2. Zingen? Ik weet niet of dat woord gebruikt moet worden. Het werkwoord heeft drie betekenissen: zichzelf vernederen, antwoorden, zingen. Er staat eigenlijk dat het hart van Israël verzacht zal worden en zij zal reageren op de Goddelijke oproep, zoals in 'de dagen van haar jeugd, toen ze uitging uit Egypte de woestijn in.

St Jerome wijst erop, zich grondend op de Joodse schrijvers, dat hier hetzelfde werkwoord wordt gebruikt als voor Miriam's beantwoorden van het lied van Mozes in Exodus 15:21.

Ik vind het stukje dat @johngalt deelde van ds. Vreugdenhil, met de geestelijke les erin, een heel goed uitleg.

Arja
Berichten: 910
Lid geworden op: 30 Mei 2019, 15:57

Re: Vraag over een bijbeltekst

Berichtdoor Arja » Gisteren, 15:29

Paulus zegt: Want zo dikwijls als gij dit brood zult eten, en dezen drinkbeker zult drinken, zo verkondigt den dood des Heeren, totdat Hij komt. Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet, of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood, en drinke van den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen. Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. (1 Korinthe 11)

Het doel van Paulus is duidelijk. Hij wil de Korinthiërs terugbrengen naar de kern van de gemeenschappelijke maaltijd, namelijk de opdracht van de de Heere Jezus om Hem op deze wijze te gedenken.

Iedereen moet zichzelf onderzoeken, zegt Paulus. Dit staat in contrast met het toetsen van anderen in het kader van de twisten di eer ontstaan waren. Dit toetsen wordt in Hoofdstuk 11:29 omschreven als 'het onderscheiden van het lichaam'.


Mijn vraag over 1 Korinthe 11:29
Gaat het over:

1. onderscheiden van het lichaam van Christus
2. of het onderscheiden van het lichaam van de gemeente (dat ook het lichaam van Christus genoemd wordt)

Ik dacht eerst dat het over het lichaam van Christus ging. Maar dan had Paulus gezegd: het lichaam en het bloed van Christus.

Zou het zo kunnen zijn dat het zelfonderzoek van de gelovigen in Korinthe alles te maken had met de gemeente als Christus' lichaam? (vergelijk met10:17 - Want een brood is het, zo zijn wij velen een lichaam, dewijl wij allen eens broods deelachtig zijn). Dat het liep over gemeenteleven en omzien naar elkaar?

Paulus spreek over het onderscheiden van onszelf, om een veroordeling te voorkomen (11:31) In het Grieks is dat een woordspeling.

Ik hoop dat iemand helderheid kan geven.


Terug naar “Theologie - Algemeen”

Wie is er online

Gebruikers op dit forum: Geen geregistreerde gebruikers en 2 gasten